Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
I'AULüS, FESTUS EN AGRlI'l'A, ENZ.
497
Ik was een vervolger. Ik deed lange rei-
zen om te vervolgen. Ik was uitgezonden
om te vervolgen, toen die groote veran-
dering in mij plaats had. Hoe die veran-
dering lot stand kwam, zult gij hooren.
Ik was in het geheel niet voorbereid voor
zulk een omkeer; elke gewoonte, die ik
had, elk beginsel, dat in mijn geinoed
was vastgeworteld, was er mede in strijd.
Toch werd ik overtuigd, bekeerd, veranderd.
En hoe ? Door de rechtstreeksche tusschen-
komst en werking van Hem, dien ik voor
dood had verklaard. Hij hield mij staande.
Hij sprak tot mij. Hij koos mij tol Zijn
Apostel, Hij zond mij uit. Houd rekening
met het karakter van den mensch en zijn
leven; houd rekening met de omstandig-
heden, die er aan voorafgingen, die er
mede gepaard gingen, die er op volgden;
bedenk wat ik was, en wat ik ben; zie
mij veranderd van een vervolger in een
Apostel; aanschouw hoe ik levensgemak
en roem, vrijheid en leven niets heb ge-
acht, mij vasthoudende aan het geloof,
dat ik eerst heb willen vernietigen; en
dan kunt gij niet zeggen, dat het van
geene beteekenis is. Nu hebt gij, wat gij
verlangdet: iets, dat gij over mij kunt
schrijven aan uwen heer. Dit is de reden
van al uwe vijandschap. Omdat ik geloof,
wat ik weet, en getuig van hetgeen ik
gezien heb aangaande Christus, de hoop
van Israel, hebben de Joden mij gegrepen
en wilden zij mij dooden. Maar God heeft
mij lol dusver geholpen. Ik ga heden
voort, in het onwankelbare geloof aan de
openbaringen van Mozes en de Profeten,
betreffende Hem, die, door Zijne opstan-
ding uit de dooden, zoowel een licht tot
verlichting der Heidenen en ook de roem
van Zijn volk Israël moet worden ».
4. Men merke op, hoe zorgvuldig Paulus
aantoont, dat de verschijning van Christus
aan hem geene zinsbegoocheling kon zijn.
Het licht, zoo zegt hij, was helderder
dan de zon, en dal op het midden van
den dag. De taal, die tot hem gesproken
werd, herkende hij dadelijkals Hebreeuwsch.
En hij werd bij zijn naam aangesproken.
5. In vers 16—18 voegt Paulus in een
enkelen zin den inhoud samen van hetgeen
tot hem gesproken werd door den Heer,
toen hij op den grond lag, door Ananias te
Damascus, en naderhand door den Heer,
te Jeruzalem; zie IX : 6, 14, XXH : 14,
15, 21.
«Dit kan niet», zegt Alford. «als eene
afwijking van de waarheid beschouwd
worden. Zoo moeten allen min of meer
doen, die een verhaal verkorten, of den
algemeenen zin van zaken, die op verschil-
lende tijden gezegd zijn, weergeven. Er
waren redenen voor zijne nauwkeurigheid
en uitvoerigheid in de bijzonderheden
zijner bekeering; nadat hij deze vermeld
heeft, wordt de opdracht, die hij daarna
ontving, niet in de eigenlijke woorden
en bijzonderheden verhaald, maar in
het kort medegedeeld, als hoorde hij
haar uit den mond van den Heer zelf».
6. De meeste Schriftuitleggers zijn het
er over eens, dat de welbekende woorden
«Gij beweegt mij bijna een Christen te
worden» het oorspronkelijke niet nauw-
keurig weergeven. Letterlijk is het «In
eene kleine zaak (Iv iïA/yw, en oligo)
beweegt gij mij», enz. Wordsworth ver-
taalt het aldus: « In een ommezien beweegt
gij mij een Christen te worden! » — alsof
hel met verontwaardiging werd uitgespro-
ken. Alford meent, dat dit de beteekenis
is: «Met weinig overreding denkt gij»,
enz. Dr. Vaughan omschrijft hel aldus:
« Een Christen te worden! — rijkdommen,
rang en koninklijke waardigheid te ver-
beuren om een discipel te worden van
een verachten Nazarener — de broeder
en vriend van een verworpene zooals gij —
dit is wat al te snel — uwe woorden
moeten wel overtuigend zijn, indien zij
dit willen bewerken! Zulke plotselinge ver-
anderingen zijn misschien iets voor u,
een geringen Jood, een opgewonden geest-
drijver, bekeerd door een zonnestraal,
eene stem, een droomgezicht: zij zijn niet
iets voor mij I »
7. Vers 32 — « Deze mensch kon los-
gelaten worden», enz. Het beroep van
Paulus op den Keizer {zie Les C, AanL 6)
onttrok zijne zaak geheel aan de recht-
spraak van den stadhouder. Festus kon
hem noch straffen noch loslaten — hem
slechts zoo spoedig mogelijk naar de hoofd-
stad zenden.
32