Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
496
PAULUS, FESTUS EN AGRIPPA.
macht des Satans tot God» (vers 18).
Zie Paulus* laatste woorden, vers 29
— welk een wensch, in zulk een gezel-
schap uitgesproken! Het beste, wat de arme
vervolgde gevangene den bestuurders van
het land en al hunnen hoogen ambtenaren,
soldaten, enz. toe kan wenschen, is —
zij mochten zijn hetgeen hijis \ Waarom?
Omdat hij weet, dat zij slaven der zonde
en des Satans zijn; hij weet, dat hij vrij
is, hij wenschte ook hen vrij te zien;
weet, dat het Christus is (2^6 tekst om
te leeren), die hen vrij kan maken. Maar
wat wenscht hij niet? Zie hoe hij zijne
handen opheft — hoor het gerammel der
ketenen — neen, dat wenscht hij hun
niet toe — «Uitgenomen deze banden»!
Hoe liefderijk! Hoe geheel zonder wrok
of ontevredenheid over zijn eigen lot!
Wat zoude Paulus u toeivenschen?
Hetzelfde. Niet, dat gij ketenen aan
uwe handen mocht hebben, maar dat gij.
« uitgenomen de banden», mocht zijn wat
hij was. Wie uwer is niet, wat Paulus
was? Hij, wiens hart geketend is, als dat
van Agrippa en Festus.
Sommigen uwer gelijken op Festus —
weten niets van godsdienst af — hebben
er een afkeer van — verachten hen, die
Christus liefhebben en dienen. Sommigen
gelijken op Agrippa — gevoelen, dat alles,
wat wij tot u spreken, waar is — weten,
dat zij niets beters konden doen, dan
Christenen te zijn, d. w. z. ware Chris-
tenen — maar — dat kunnen zij nu
eenmaal niet. Hoe komt dit? Denk eens
na — dat ieder het voor zichzelf trachte
te ontdekken. Gij zult zien, dat uw hart
geketend is — de Satan heeft er zich
meester van gemaakt en door onwetend-
heid en zonde geketend. Schijnt het on-
mogelijk uit die gevangenschap verlost
te worden? Christus kan de verlossing tot
stand brengen. Bid dan, dat Hij u door
de ontferming Zijner genade vrij make!
Aanteekeningen.
1. De Agrippa van deze geschiedenis was
Herodes Agrippa H, zoon van Herodes
Agrippa I (den Herodes van hoofdst. XH); zie
Les XCHI, Aant. 1. Hij regeerde alleen over
de noordelijke deelen van zijns vaders ko-
ninkrijk, Iturea, Abilene, enz. Het oorspron-
kelijk koninkrijk van Herodes den Grooten
(den Herodes van Mattheus H) werd bij zijn
dood onder zijne zonen verdeeld, en één
deel, Judea, kwam spoedig daarna onder
het rechtstreeksche Romeinsche bestuur
van Pilatus en andere stadhouders (zie
Luk. H : I). Al deze kleine provincies
werden hereenigd onder Herodes Agrippa
I, maar weder verdeeld bij diens dood:
Judea, Samarié en een gedeelte van Galilea
bleven nl. onder de Romeinsche heer-
schappij, bestuurd door Felix en Festus,
enz., en het overige deel werd aan den
jongen Agrippa gegeven. Ofschoon hij een
ijverig aanhanger van het Judaïsme was,
werd Agrippa door de Joden met wan-
trouwen aangezien om zijn Romeinschen
smaak en overhellen naar alles, wat Ro-
meinsch was; en toen de laatste oorlog
uitbrak, welken hij tevergeefs had ge-
tracht te verhinderen, koos hij de zijde
der Romeinen en nam deel aan het beleg
van Jeruzalem.
2. Bernice was eene zuster van Agrippa,
evenals Drusilla. Zij was zeer schoon;
hare levensgeschiedenis is eene opeenvol-
ging van schandalen. Festus, de veroveraar
van Jeruzalem, wenschte haar tot Keizerin
te verheffen, maar zelfs bij eene Romein-
sche bevolking wekte zulk een voorstel
de hevigste verontwaardiging op, en er
werd dus geen gevolg aan gegeven.
3. De volgende omschrijving van Paulus'
toespraak zal den onderwijzers, die hnar
nader willen uiteenzetten, van nut zijn:
« Ik ben het, — niet mijne beschuldigers
— die aan het geloof mijner vaderen ge-
trouw ben. Om de hoop van Israël ben
ik met deze keten gebonden. Eenmnal
vatte ik dat geloof op. zooals zij dit nu
doen. Niemand was den naam en den
discipelen vau Jezus zoo vijandig als ik.