Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
GEKETENDE HANDEN EN GEKETENDE HARTEN.
495
schap). Zie ook onzen eersten tekst om te
leeren {«gevangenschap »); 2 Tim. 11:26
{gevangen onder den strik des duivels»);
Rom. VIR : 21 {«dienstbaarheid der
verderfenis»); 2 Petr. II : 19 («dienst-
knechten der verdorvenheid »).
3. En is hij nu niet vrij ? Zie tekst
om te leeren; Rom. VI: 14,18, 22; VIII: 2,
15; Gal. IV : 7, V : 1. llij is de s^aaƒ «an
Christus geworden («dienstknecht» in Rom.
I : 1 beteekent slaaf); en hij heeft be-
vonden, dat Zijn «juk zacht» was (Matth.
XI: 30), Zijn dienst volkomen vrijheid is.
Zelfs zijne handen kunnen niet geketend
worden, indien God het niet toelaat, en
wat aangaat zijne ziel, wat kan de zonde
of de Satan hem deren?
n. De menschen met geketende
harten.
Daar zitten de twee heerschers, de
strenge Romeinsche stadhouder, de genot-
zieke koning. Wat dunkt hun van dezen
geketenden man en zijne toespraak?
1. Festus. Zie vers 24 — «gij raast» —
«razernij»! — Waarom? Omdat Paulus
verhaalt, dat hij een man gezien en ge-
sproken heeft, die jaren geleden door Pila-
tus werd ter dood gebracht, en dat hij
«een licht zou verkondigen» aan de Grieken
en Romeinen (vers 23), door hun hierover
te spreken! — Welk verstandig mensch,
welk mensch, die bij zijne zinnen is, kan
zoo iets zeggen! Zeker had Paulus vele
boeken gelezen gedurende zijne gevangen-
schap (verg. 2 Tim. IV : 13). Misschien
(denkt Pestus) heeft al die studie, die
«groote geleerdheid» hem krankzinnig
gemaakt. Maar zie het antwoord van Paulus,
vers 25 — hoe eerbiedig! — hoe flink! hoe
vei-standig! (evenals 2 Tim. II: 24—26) —
zijn dit de woorden van een krankzinnige?
Waarom wil Festus niet gelooven? Zie de
ware reden in 2 Cor. IV : 4 — de Satan
heeft hem verblind, het Evangelie schijnt
hem dus «dwaasheid» (1 Cor. 1: 23, II: 14).
2. Agrippa. Hij is geheel anders dan
Festus — niet onwetend — hij begrijpt,
waaraan Paulus hem herinnert, vers 26 —
hij weet, welke wonderbare dingen in den
naam van den opgestanen Jezus gedaan
zijn — de wonderen en bekeeringen zijn
geen zinsbegoochelingen van eenige domme
menschen, «niet in een hoek geschied».
Hoe ernstig spreekt Paulus, vers 27 —
indien hij slechts dezen koning voor Christus
kon winnen! — «Koning Agrippa! Gij
weet, dat deze dingen waar zijn — gij
weet, wat de profeten Gods gezegd hebben —
gij gelooft de profetieën — waarom gelooft
gij niet in hare vervulling?» Kan Agrippa
op dezelfde wijze antwoorden als Festus?
Kan hij zeggen, dat Paulus raast? Hij
weet beter — hij gevoelt, dat het geene
razernij zou zijn in Jezus te gelooven ^
en wat zegt hij? vers 28. Wat beteekent
dat? Dat hij bijna overgehaald is om een
Christen te worden ? O neen; — hij meent
alleen: «Gij denkt, dat gij mij gemak-
kelijk kunt overtuigen». Agrippa een
Christen! — hij, rijk en trotsch, een
aanhanger worden van de meest verachte
van alle sekten! — neen, daartoe is meer
noodig {Zie Aant. 6).
Denk nu aan deze twee mannen — groot
en machtig als zij zijn — zijn zij werkelijk
vrij? Geene ketenen aan hunne handen;
maar zijn er geene aan hunne harten?
Festus is vastgeketend door zijne onwe-
tendheid — ja, en waardoor nog meer? —
Waarom had hij Paulus niet losgelaten
vóór het «beroep » ? — Omdat hij vreesde
voor de Joden — hij was niet vrij om te
doen, wat goed was. Agrippa is vastgeke-
tend door zijn koninklijken trots en zijne
lichtzinnige, zondige gewoonten. Zij had-
den beiden van noode, om, evenals de
andere Heidenen, tot wie Paulus gezon-
den was, «bekeerd te worden van de