Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
494
CII. PAULUS, FESTUS EN AGRIPPA. —
dekken, wat Paulus gedaan heeft, of
waarom de Joden hem zoo haten (zie
XXV : 18—20, 25—27). Wie komt er dan
juist te Cesarea? vers 13 (Zie Aant. i,'2).
Hij komt zijne hulde bewijzen aan den
nieuwen stadhouder. Agrippa is half een
Jood — zeer goed bekend met den Jood-
schen godsdienst, de Joodsche wetten,
enz.; Festus zal dus zijn raad inroepen
omtrent Paulus, XXV : 14—21.
Agrippa is nieuwsgierig dezen gevangene
te zien, vers 22; zonder twijfel zijn er
groote feestelijkheden bij gelegenheid van
het bezoek des konings te Cesarea —
vertooningen, optochten, maaltijden, enz.
— nu is er iets anders, een groot prediker
zal zich doen hooren! Dezelfde praal wordt
hiervoor ten toon gespreid als voor de
andere openbare vertooningen, vers 23:
allen komen in groote staatsie — velen
zijn uitgenoodigd, hooggeplaatste burgers,
voorname bevelhebbers. Zij gaan geene
wapenschouwing, of wedrennen, of kamp-
spelen bijwonen, maar —wat? De predi-
king van een onaanzienlijken Jood, zwak
naar het lichaam (2 Cor. X : 10), beproefd
door velerlei moeilijkheden en ontberingen,
vergevorderd in leeftijd (hij is twee jaar
ouder dan toen hij voor Felix en Drusilla
stond), daarbij een gevangene — komt hier-
voor dit voorname gezelschap bij elkander?
Let nu op de groote tegenstelling:
Welk verschil kon men zien tusschen
dezen gevangene en ieder ander, die hier
tegenwoordig was? Niet alleen, dat zoo-
velen onder hen machtige en rijke per-
sonen waren, want hierin waren de ge-
wone soldaten hun gelijk. Maar zie — die
boeien aan zijne handen — die hem
aati zijne bewakers vastketenen — nie-
mand heeft die behalve hij. In die geheele
vergadering zouden wij zeggen, dat slechts
één man niet vrij was — dit is het
grootste verschil.
Maar indien wij dit zeiden, zouden wij
ongelijk hebben? In werkelijkheid is die
ééne man vrij — de meeste anderen
(misschien allen) in banden! Zien wij op
welke wijze.
I. De man met de. geketende
handen.
Hier, in hoofdstuk XXVI, is Paulus' toe-
spraak tot dat groote gezelschap. Zie
wat hij van zichzelf zegt. Hij spreekt van
twee tijdperken uit zijn leven. Hij ver-
haalt — (a) Wat hij vroeger was: een
gestreng Farizeër, vers 5; evenals al de
Joden de vervulling der belofte Gods van
een Koning en Zaligmaker, die komen
zoude, verwachtende, vers 6, 7; vervuld
met haat tegen hen, die geloofden, dat
Jezus van Nazareth de Koning was, vers
9—11. (&) Wat hij nu is: een discipel
van dienzelfden Jezus, en een zendeling
om Zijne leer aan anderen te verkondigen,
vers 19—23. Waarom? Omdat hij Hem
gezien en gehoord heeft {zie Aant. 4),
en weet, dat de verachte « misdadiger »,
die gedood werd, de opgestane, levende,
regeerende Heer is I Bedenk nu:
1. Waarom hij in banden is. Tenge-
volge van die groote verandering; om
hetgeen hij gelooft (vers 6, 7) en doet
(vers 20, 21). Indien hij een ongeloovige,
vervolgende Farizeër was gebleven, zou-
den die ketenen dan aan zijne handen
geweest zijn? Neen, dan had hij kunnen
doen wat hij^ wilde: zie vers 9, 10 —
«Ik meende bij mij zelven » — «Hetwelk
ik ook gedaan heb».
2. Of hij werkelijk vroeger vrij was.
Wat beteekent onze 2de tekst om te leeren?
— een zondig mensch is «een dienstknecht
(d. i. de sZaa/*) der zonde». Zijn sommigen
onzer niet de slaven hunner slechte ge-
woonten — zouden er gaarne van bevrijd
zyn, maar kunnen niet? (Voorbeeld. —
Leugenachtigheid, drift, luiheid, dronken-