Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
492
Cl. PAULUS EN FELIX, ENZ.
4. De verdediging van Paulus is ver-
wonderlijk volledig. Hij maakt melding
van den langen tijd, dien Felix in Judea
was geweest, om daardoor aan te toonen,
dat, indien hij een oproermaker ware,
hij, Felix, het wel zoude weten. Integen-
deel was hij buitenslands geweest, en
slechts twaalf dagen geleden te Jeruzalem
gekomen — van welke hij er vijf in hech-
tenis van de Romeinen (vers 1) had door-
gebracht. Was er dus tijd geweest voor
die misdaden, welke hem ten laste wer-
den gelegd? Hij had niet eens in den
Tempel «gesproken» (vers 12). Wat aan-
gaat de tweede aanklacht, erkent hij (vers
3), dat hij werkelijk tot de genoemde
sekte behoort; maar hij dient toch den-
zelfden God en gelooft de wet en de
profeten; daarom maakt hij aanspraak op
de gewone Romeinsche verdraagzaamheid,
van welke andere «sekten» genieten, als
die der Farizeën en Sadduceën. Daarna
bevestigt hij, tot de derde aanklacht over-
gaande, dat, verre van heiligschennis tegen
den Tempel bedreven te hebben, hij, juist
op het oogenblik zijner gevangenneming,
eene der strengste plechtigheden waarnam.
Eindelijk doet hij op bekwame wijze een
beroep op het welbekende grondbeginsel
der Romeinsche wet, dat alleen zij, die
de misdaad gezien hadden (vers 19), als
beschuldiger mochten optreden; «maar,
indien de leden van het Sanhedrin («deze
zeiven», vers 20) mijne beschuldigers zijn,
laat hen dan spreken van wat zij weten:
hebben zij in hun eigen raad schuld bij
mij gevonden? — of noemen zij misschien
n^yn geloof in de opstanding, welke (vers
15) zij zeiven ook belijden, eene misdaad?»
5. Vers 22 beteekent, dat Felix, doordien
hij zoo lang te Cesarea geweest was. te
goed bekend was met het Christendom
(«dezen weg»), om door de verkeerde
voorstellingen van de Joden misleid te
worden.
6. Er zijn verschillende manieren om de
«twaalf dagen», waarvan Paulus spreekt,
te berekenen. Het hangt er van af hoevele
van de «zeven dagen» der reiniging (XXI:
27) verloopen waren, toen Paulus gevan-
gen werd genomen, en waar de «vijf
dagen» van XXIV : 1 beginnen. De meest
waarschijnlijke berekening schijnt die van
Lange en Wordsworth te zijn, nl. — 1ste
dag. Aankomst te Jeruzalem; Samen-
komst met de ouderlingen; 3^®, Begin van
de zeven dagen; De zeven dagen bijna
«voleindigd», de gevangenneming;
Voor den Raad; 9de, De samenzwering
— vertrek bij nacht; lO^e, Aankomst te
Cesarea; Verhoor — op den uy/den
dag na het vertrek uit Jeruzalem.
7. Geweten wordt aldus door Dr. Vaughan
omschreven: — Geweten — ik bedoel het
woord — beteekent iets, dat men weet,.
Paulus zegt in een zijner Brieven: «Ik
ben mijzelven van geen ding bewust»,
ik weet niets van mijzelven, waarover ik
beschaamd zou moeten zijn. Dat weten
van zichzelven is het Geweten. Het Geweten
is het medeweten, de mede-bewustheid,
die men heeft van zijn eigen gedrag, in
woord en daad. Hieruit komen al zijne
werkingen voort. Ik ben mijzelven bewust.
Ik ben zoo gemaakt, dat ik niets kan
doen aan dit medeweten. Ik moet kennis
nemen van mijne eigene daden en oordeel
vellen over mijne eigene geheime gedachten.
Dat is het Geweten.
Het woord Geweten komt meer dan
dertigmaal in het N. T. voor, en hiervan
meer dan twintigmaal in de geschriften
van Paulus.
8. Paulus stelde zich met zijne predi-
king ten doel, Felix van zonde te over-
tuigen. Hij wenschte, dat de wet de
«tuchtmeester» zoude zijn, die zijne hoor-
ders tot Christus bracht. Hij handelde naar
het beginsel, in 2 Cor. V: 11 uitgesproken
— «Wetende den schrik des Heeren, be-
wegen wij de menschen tot het geloof».
Indien hij dadelijk het Evangelie der vrije
genade aan zulke toehoorders had verkon-
digd, zou dit «werpen van paarlen voor
de zwijnen geweest zijn».