Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
EEN GOEDKEUREND EN EEN VEROORDEELEND GEWETEN.
491
Antipas, of zelfs Judas! (Gen. XLIItSl;
1 Kon. XXI : 27; Mark. VI : 20; Matth.
XXVII : 4). Hoe dat? Had God haar geen
geweten gegeven? Ja, alleyi hebben wij
er een ontvangen. Maar zij was zoo lang doof
gebleven voor zijne stem, dat het nu op-
gehouden had te spreken! Zie, wat Paulus
van de zoodanigen zegt, 1 Tim. IV: 2 —
«hebbende hun eigen geweten als met
een brandijzer toegeschroeid»; en evenzoo
Ef. IV: 19, «ongevoelig geworden zijnde».
Niets is zoo bedroevend als bij jongens
of meisjes die onversthilligheid, dien geest
van «wat kan het mij schelen?» te zien,
— zoodat zij zich niet schamen, zelfs
wanneer zij op de daad zelve betrapt
worden — en lachen met de tranen van
ouders, de smeekingen van onderwijzers.
Waarschuwt uw geweten u, wanneer gij
zonde gaat bedrijven? Verontrust het u,
wanneer gij gezondigd hebt? Wees dank-
baar voor die stem, en bid God, dal Hij
haar nog krachtiger make. Bedenk dan
twee zaken:
(a) Wanneer het geweten u van zonde
overtuigt, herinner u dan onzen tekst
om te leeren, en smeek dadelijk om ver-
giffenis. Hoe? Zie Hebr. IX : 14, X : 22.
(b) Beproef met alle kracht «u zelf te
oefenen», evenals Paulus dit deed — uw
Geweten «onergerlijk» te houden. Bid dan
ook, hetgeen in onzen tekst om te leeren
staat.
Aanteekeningen.
1. Het karakter van Felix, zooals het
in dit hoofdstuk wordt beschreven, is in
overeenstemming met hetgeen wij uit de
wereldgeschiedenis van hem weten. Hij
was van slavenafkomst, en de geschied-
schrijver Tacitus zegt van hem, dat hij
«den koninklijken schepter zwaaide met de
neigingen en gezindheden van een slaaf,
en zijne waardigheid op alle manieren
door wreedheid en zinnelijke lusten oneer
aandeed». Hij gaf blijken van eenige kracht
in het onderdrukken der rooverij (vandaar
de loftuiting in vers 2), maar hij gelastte
den moord van den hoogepriester Jonathan,
om zijn eigen wraaklust te bevredigen.
Hij was op dit tijdstip zes jaar stadhouder
geweest. Twee jaar daarna werd hij terug-
geroepen, om te antwoorden op zekere
aanklachten, die tegen hem ingebracht
werden betreffende zijn medewerken tot
een moord van de Joden te Cesarea, maar
hij werd vrijgesproken door den invloed
van zijn broeder Pallas bij Keizer Nero.
Felix was niet de eenige stadhouder van
Judea, die zich liet omkoopen om gevan-
genen vrij te laten (vers 20). Albinus, die
Festus opvolgde, maakte zich schuldig aan
dezelfde laagheid.
Het jaartal der terugroeping van Felix
kan door middel van de wereldgeschiedenis
met genoegzame zekerheid als het jaar 60
vastgesteld worden, en dit is een der jaar-
tallen, waarom de Bijbelsche tijdrekening
draait. Naar dezen datum, en dien van
den dood van Herodes Agrippa (44 n. C.)
zijn al de datums in de Handelingen be-
rekend.
2. Drusilla was eene dochter van Herodes
Agrippa I en zuster van Agrippa II en
Bernice. Felix wist haar door list van haren
wettigen man, Azizus, Koning vanEmesa,
weg te lokken, met behulp van een too-
venaar, Simon genaamd (naar men ver-
moedt, Simon de Toovenaar). Zij en haar
zoon Felix kwamen om bij de groote uit-
barsting van den Vesuvius, die Pompei
en Herculanum onder asch bedolf.
3. Tertullus was klaarblijkelijk een der
Romeinsche advocaten, die gewoon waren
rond te gaan, met het doel om zich voor
de meer belangrijke wettelijke twistgedin-
gen in de hoofdstad te oefenen. Denkelijk
sprak hij Latijn, zijnde de officiëele taa),
en de zinsbouw zijner toespraak doet zeer
aan de Latijnsche constructie denken. De
drie hoofdpunten zijner rede worden in de
Schets aangeduid. Men merke op zijne
lage vleierij van een man als Felix en zijn
gewetenlooze lastering van een man als
Paulus. Vers 6 doet inzien, waarom hij
zich tot den stadhouder wendde; de Joden
wilden, dat Paulus aan hen werd overge-
leverd, onder het voorwendsel, dat zij hem
«naar hunne wet zouden oordeelen».