Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
EEN GOEDKEUREND EN EEN VEROORDEELEND GEAYETEN.
489
Wat maakt Karei zoo onrustig? Het besef,
dat hij kwaad heeft gedaan. Maar wat
herinnert hem voortdurend aan zijne fout,
zoodat hij die niet kan vergeten?
Het is het Geweten, die stem in uw
binnenste, die u altijd zegt, wat goed en
wat kwaad is — die u rustig of onrustig
maakt over hetgeen gij doet en zegt.
Hendrik^s geweten keurde goed hetgeen
hij gedaan had — maakte hem gelukkig;
dat van Karei veroordeelde hem — maakte
hem ongelukkig. Zie een voorbeeld van
beide in onze Les.
I. Een goedkeurend geweten.
Wij bevinden ons in de gerechtszaal van
den Romeinschen stadhouder te Cesarea.
Felix zit op het rechtsgestoelte — wie is
de aangeklaagde? Wie de aanklager? vers 1
{Zie Aant. 3). Er zijn drie aanklachten
tegen den gevangene, vers 5, 6: — (a)
oproer — « eenen, die oproer verwekt —
de Joden tegen de Romeinen opzet —
(omtrent even waar als de aanklacht, die
tegen Jezus werd ingebracht», Luk. XXIH :
2, 5); (b) ketterij — «opperste voor-
stander van de sekte der Nazarenen » —
(dezelfde aanklachten als te Corinthe, Hand.
XVIH : 13); (c) heiligschennis — «den
Tempel te ontheiligen» — (hoe? XXI :
28, 29).
Zie nu Paulus'verdediging, vers 10—2t.
Op de eerste aanklacht bewijst hij zijne
onschuld, vers 11—13. Op de tweede,
vers 14—16, erkent hij, dat hij tot die
gehate sekte behoort, maar ontkent, dat
hierin iets schuldigs is. Op de derde treedt
ook zijne onschuld duidelijk aan den dag,
vers 17, 18 {Zie Aant. 4).
Dit alles had Paulus kunnen zeggen met
angstig gelaat en bevende stem — vol
onrust over den uitslag; was dit het geval?
zie vers 10 — « met des te beteren moed »,
waarom? Omdat hij onschuldig was; en
indien hij verdrukking leed, behoefde hij
er zich niet over te schamen, zie 1 Petr.
IV : 15, 16. Evenals Hendrik (hiervóór)
had hij een goedkeurend geweten.
Zie wat hij van zijn geweten zegt,
vers 16:
(а) « Onergerlijk bij God en de men-
schen ». Een geweten, dat niet geërgerd
is door iets, dat wij gedaan hebben! —
Ons niet berispt wegens onze ongehoor-
zaamheid, vergeetachtigheid, of gebrek
aan liefde jegens God, om onze zelf-
zucht , onvriendelijkheid, verkeerdheden
jegens de menschen. Welk een zegen!
Zie hoe het genoemd wordt: «een rein
geweten», 1 Tim. Hl : 9; «een goed
geweten». Hand. XXIH : 1; 1 Tim. 1:19;
Heb. XHI : 18.
(б) «Altijd». Het is niet genoeg, gedu-
rende eene week een goed en rein geweten
te hebben. Het eenige middel om gelukkig
te zijn is, hel altijd te hebben.
(c) «Ik oefen mijzelven». Was het ge-
weten van Paulus ge/ieel vlekkeloos? Was
hij volmaakt? Zie, wat hij in zijn ouder-
dom van zichzelven zegt, Phil. Hl : 12;
1 Tim. I : 15. Maar hij (rac/i«e er naar —
hij «oefende zichzelven». Kunt gij goed
schrijven, of uwe sommen vlug maken,
of een muziekinstrument bespelen of in
een spel uitblinken, zonder dat gij u
oefent ? En ons geweten «altijd onergei lijk»
te bewaren is de moeilijkste zaak ter
wereld. Wij moeten dus altijd waken,
bidden, «ons oefenen». Hoe kunnen wij
zelfs dan alleen slagen? verg. Joh. XV: 5
met Phil. IV : 13.
{d) «Hierin». Wat beteekent dat? —
Waarin? Zie het voorgaande vers — in
de hoop der opstanding. Paulus zal zeker
dikwijls moedeloos zijn geworden in zijn
strijd tegen de zonde — het gevoel gehad
hebben, dat hij moest toegeven (gevoelen
wij dit niet somtijds?) — maar dan dacht
hij aan den grooten Dag, die komen zoude