Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
488 Cl. PAULUS EN FELIX, ENZ.
geheel geëindigd zijn, voordat het oog kan vallen op de leering, die er uit
afgeleid kan worden; en het is altijd raadzaam zooveel mogelijk de geheele
geschiedenis den weg te laten banen tot de toepassing. In de Les, die wij nu
voor ons hebben, kan deze regel gemakkelijk in acht worden genomen. Hetgeen
Paulus zegt van zijn streven, om altijd «een onergerlijk geweten» voor God te
hebben, doet de tegenstelling tusschen hem en Felix, wiens ontrust geweten
uit zijn «bevreesd worden» blijkt, zeer scherp uitkomen. Aldus staan de twee
groote figuren in de schilderij als licht en schaduw tegenover elkander, terwijl
de ongevoelige koelheid van Drusilla — welke, ofschoon niet genoemd, toch
aangeduid schijnt te worden — de toepassing met onverwachte kracht aan
het geheel verbindt.
Het onderwerp is bijzonder toepasselijk voor kinderen, daar (zooals in Les
LXVI is opgemerkt) het kenmerk van kinderlijke godsvrucht juist eene
teederheid van geweten is, die dikwijls tot angstvallige nauwgezetheid klimt.
Het gebeurt dikwijls, dat eene daad, die ons als een zeer lichte fout voor-
komt, werkelijk tegen de duidelijke stem van het jeugdige geweten is bedreven,
en dus eene ernstige zonde is. Indien de aandacht der Zondagschool-leer-
lingen dikwijls afdwaalt, wanneer het verhaal, of het beeld, of de anekdote
in de toepassing ondergaat, is dit omdat deze gewoonlijk onbepaald en over-
bekend is. De toepassing zij rechtstreeksch en bepaald, d. w. z. zij moet ge-
richt worden op de dagelijksche omstandigheden, gedachten, gevoelens van
de leerlingen — dan zal zij dikwijls eene levendige en in het oog loopende
belangstelling opwekken. En dit behoort ook in deze Les het geval te zijn,
omdat de kinderen door hun persoonlijke, dagelijksche ondervinding weten
wat het geweten is.
Eene zeer goede toelichting voor het verzwakken van telkens terugkee-
rende, voorbijgaande indrukken is deze: — Indien gij vroeg op wilt staan,
windt gij uw wekker op en zet hem op het juiste uur; maar als gij er geen
acht op slaat, zal het geluid u eiken morgen minder treffen, totdat gij er
eindelijk niet meer door ontwaakt; zoo is het ook met ons geweten.
De uitwerking van dat trachten naar «een onergerlijk geweten» kan niet
beter toegelicht worden dan door Spurgeon's anekdote van een dienstmeisje,
dat, toen men haar naar een bewijs voor hare bekeering vroeg, zeide, dat zij
«nu ook onder de matten veegde.»
Schets van de Les.
Hendrik en Karei gaan uit wandelen —
vader heeft gezegd, dat zij niet « dicht bij
die rivier», of buiten «die poort» mogen
komen — Hendrik gehoorzaamt stipt —
Karei denkt «Wat hindert het?» en is
ongehoorzaam. Zij zijn weder huiswaarts
gekeerd — Hendrik's gelaat staat vroolijk
en opgewekt — Karei beproeft er ook
zoo gelukkig uit te zien, maar het gaat
niet — hij is bang het oog van zijn vader
te ontmoeten (ofschoon de vader van niets
weet) — hij krijgt eene kleur, wanneer
er van een rivier of poort sprake is —
hij is in het geheel niet op zijn gemak.