Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
30
VIII. HET VERBLIJF TE NAZARETH. 30
Maar hoe het ook zij, men kan gerust
aannemen, dat Herodus de grens voor den
leeftijd ver genoeg getrokken zal hebben,
om te verhinderen dat er eenige kans
om te ontkomen voor het Kind overbleef.
4. Toen Jozef en Maria naar Egypte
vluchtten, begaven zij zich niet geheel
onder vreemdelingen. De Joden zetten zich
in dat land neder, en vooral te Alexandrië
was er een talrijke en machtige partij,
welke zeer begunstigd was geworden
door de Ptolemeën, of de Grieksche
koningen van Egypte; op bevel van een
hunner werd de Grieksche vertaling van
het O. Testament, de Vertaling der
Zeventigen genaamd, begonnen. De Joden
van Alexandrië hadden te Jeruzalem een
eigen Synagoge in gebruik, wanneer zij de
heilige stad bezochten, zooals wij lezen
in Hand. VI : 9
5. Bij den dood van Herodes werd zijn
Koninkrijk in vier deelen verdeeld; het
vorstendom Abilene (in den Libanon) kwam
aan Lysanias (waarschijnlijk de zoon van
een voormaligen Syrischen vorst van dien
naam, die afgezet was geworden), en de
drie andere deelen gingen over op drie
zonen van Herodes, t. w. Ituréa en Tra-
chonitus (overeenkomende met het vroegere
Bazan) op Philippus, Galiléa en Beréa op
Herodes Antipas, en Judea, Samarië en
Idumea op Archelaüs. Philippusen Antipas
werden tetrarchen (viervorsten) genaamd,
Archelaüs werd ethnarch (beheerscher
van een volk) genoemd. Archelaüs regeerde
negen jaar, aan het einde waarvan keizer
Augustus hem om zijne wreedheid afzette
en Judea tot een provincie maakte onder
«en Romeinschen stadhouder.
6. Mattheus schreef zijn Evangelie hoofd-
zakelijk voor Joodsche lezers; dienten-
gevolge zien wij hem telkens op de
profetieën van het O. Testament wijzen,
zesmaal in deze eerste twee hoofdstukken.
Eenige aanhalingen zijn merkwaardig, en
op het eerste oog onbegrijpelijk; maar
indien wij den regel, in Les II Aant. 3
vastgesteld, in acht nemen, zal het niet
moeilijk vallen ze uit te leggen. En men
moet in het oog houden, dat wanneer
Mattheus ze aanhaalt, dit een bewijs is,
dat de Joden de toepassing ervan moesten
begrijpen.
а. Jer. XXXI : 15. Klaarblijkelijk doelt
de profeef op den een of anderen moord-
of rooftocht van de Chaldeeuwsche vijanden
in Rama (verg. Jer. XL : 1). Rama be-
hoorde tot het grondgebied van Benjamin;
het is Rachel, de moeder van Benjamin,
die in de dichterlijke beeldspraak wordt
voorgesteld als weenende om hare ge-
doode of geroofde kinderen; en God troost
haar met de belofte, dat zij, die weg-
genomen zijn, eens terug zullen komen.
Zoo weenden ook de moeders te Bethlehem,
onbewust van de wederkomst en de toe-
komstige heerlijkheid van Eén kind, dat
gered werd en dat aldus de anti-type
was van de Joden, die van Babyion terug-
keerden. De aanhaling van Mattheus schijnt
ons nog meer van toepassing, wanneer
wij bedenken, dat Rachel dicht bij Bethle-
hem stierf en begraven werd.
б. Hos. XI : 1. Deze aanhaling levert
geen moeilijkheden op, wanneer wij den
reeds vermelden regel in acht nemen; zij
wordt genoegzaam in de Schets uitgelegd.
Zie over vers 23 de volgende Les,
Aant. 3.
Les TIII. — Het verblyf te Nazareth.
<iHij zal een Nazarener geheeten wordenn.
Te lezen — de teksten waarnaar in de Les verwezen wordt.
Te leeren — Luk. H : 51, 52; Joh. XIH : 15 (Gez. 112 : 4, 6).
Voor den Onderwijzer.
Bij het onder^^^ijzen van dit onderwerp, staat men gewoonlijk uitsluitend
stil bij het verhaal van Jezus' bezoek aan Jeruzalem, en de lessen, die daaruit