Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
C. JOODSCHE SAMENZWEERDERS EN ROMEINSCHE BESCHERMERS. 484
als vanzelf uit het onderwerp voort; maar indien de tijd te kort schiet,
zal het beter zijn alleen het eerste te behandelen, niet alleen omdat het van
zooveel gewicht is, maar omdat onze lessen op de Zondagschool ons niet dik-
wijls de gelegenheid aanbieden, om stil te staan bij de heiligheid zelfs van
menschelijke wetten; bij den plicht om hen, die het gezag in handen hebben,
te gehoorzamen en te eeren; en bij de godsdienstige verplichting om getrouwe
onderdanen van den regeerenden vorst te zijn.
Schets van de Les.
Werden de verschillende landen, waar-
heen wij Paulus gevolgd zijn, door ver-
schillende koningen bestuurd? Overal
vinden wij alleen «stadhouders» of «hoofd-
mannen» — waarom? Omdat zij alle tot
één groot rijk behoorden — alle onder
één vorst te Rome stonden. Een tijdlang
was er in Judea (Hand. XII : 1) een
koning, maar hij kon daar slechts regeeren
met toestemming van de Romeinen. Ook
in ons land voerden de Romeinen heer-
schappij.
Was dit voor- of nadeeliig voor de uit-
breiding van het Evangelie? (a) Het was
gemakkelijker voor de Apostelen omrond
te reizen, wanneer alles onder één bestuur
stond — zij werden dan door geene oor-
logen of verschillende wetten tegengehou-
den. (b) De Romeinen waren rechtvaardig
— de wetten, die zij hadden, waren goed
(sommige onzer wetten zijn van hen
overgenomen) — zij zouden niemand
straffen zonder een rechtvaardig verhoor
— zij vervolgden de menschen niet om
hun geloof (ten minste niet toen — zij
deden het wel in later jaren).
Maar het was nog niet lang zoo, en
nog nooit had er vroeger zulk een toestand
geheerscht. De volkeren waren afgeschei-
den van elkander geweest, onderling strijd
voerende, totdat de Romeinen hen over-
wonnen. Het was dus zeer gelukkig, dat
het Evangelie juist in dien tijd gepredikt
moest worden. Maar hoe kwam dit zoo?
Omdat God altijd door alles had gadegesla-
gen — alles deed samenwerken tot hetgeen
Hy wilde; en toen «de volheid des tijds
was gekomen, heeft Hij Zijn Zoon gezon-
den» (Gal. IV : 4).
Te Philippi. Het is waar, hij moest daar
lijden, maar dat was niet de schuld der
wetten, maar van de ambtenaren, die
onwettig handelden. Indien hij geacht had,
dat hij het mocht doen, had hij dan niet
dat lijden kunnen ontloopen? — Hoe?
Door zich op de Romeinsche wet te be-
roepen; en wat gebeurde er, toen hij dit
deed? Hand. XVI:37—39 {Zie iesXCVI,
Aant. 8).'
En nog verscheidene andere malen be-
veiligde de rechtvaardigheid der Romeinsche
wetten Paulus voor wreede mishandelingen.
Heden zullen wij er weder voorbeelden
van zien.
Van welk gevaar voor den dienstknecht
Gods spreekt onze tweede tekst om te
leeren? Dikwijls was Paulus reeds aan
gevaren blootgesteld geweest van de zijde
van Joodsche samenzweerders, maar heden
zullen wij het ergste geval zien. Lees
XXIH : 12,13. Gaan wij na — (a) Waarom
deze samenzwering werd gesmeed. Zijne
vijanden waren in woede ontstoken, om-
dat het verhoor, waaraan Paulus was
onderworpen, tegen hun zin was uitge-
vallen (Zie XXIH : 1—10). (b) Wie deel
uitmaakten van de samenzwering. Al-
leen de veertig moordenaars? vers 14 —
zelfs de deftige priesters en Schriftge-
leerden! (c) Eene hoedanige samenzwe-