Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
482
XCIX. OPGAANDE NAAR JERUZALEM. 482
veel over gezegd kunnen worden. In de
dagen van Paulus had het niet veel meer
van de grootheid behouden, die met zulke
levendige kleuren in de profetieën van
Ezechiël wordt beschreven. Ptolemaïs is
het Acco van Richt. 1:31, het Akkonder
Kruistochten, en het St.-Jean d'Acre van
den tegenwoordigen tijd. Zie over Cesarea
Les XCI, Aant. 1. Vers 7 moet eigenlijk
gelezen worden: «Onze scheepvaart vol-
brengende, gingen wij van Tyrus naar Pto-
lemaïs», waardoor wordt aangeduid, dat de
reis zuidelijk van Ptolemaïs over land was.
5. Paulus' toespraak aan de Efezers is
een der aandoenlijkste gedeelten van den
Bijbel. Het hoofddoel, dat de Apostel er
mede beoogde, schijnt geweest te zijn,
om hen, als medehelpers van Christus,
tot ijver en getrouwheid aan te sporen,
door hun het voorbeeld voor oogen te hou-
den, dat hij hun gegeven had, toen hij
onder hen vertoefde. Zij kan aldus ont-
leed worden:
(a) Terugblik. — Ten Iste; Op zijn
eigen leven te Efeze: zijne ootmoedigheid,
tranen, beproevingen (vers 19) en onbaat-
zuchtigen arbeid, om zichzelf en zijne
metgezellen van het noodige te voorzien
(33—35). Ten 2^6; Op zijne prediking te
Efeze: ijverig (20. 31), getrouw (21, 26, 27).
(b) Vooruitblik. — Ten Iste op zich-
zelf: den dood, dien hij zou ondergaan
(22—24). Ten 2de op de Gemeente: het
gevaar van valsche leeraars (29, 30).
(c) Raadgeving en troost. — Hij gelooft,
dat zij hem niet meer zullen zien (25);
daarom vermaant hij hen met waakzaam-
heid hun opzienersambt te vervullen (28),
en beveelt hen Gode aan (32).
De slotwoorden der toespraak zijn bij-
zonder belangrijk, omdat zij een gezegde
van den Heer bevatten, dat niet in de Vier
Evangeliën vermeld wordt. Er waren van-
zelf in de eerste Gemeente vele Zijner
woorden gangbaar, welke de Evangeliën
niet in hunne levensbeschrijvingen hadden
opgenomen.
6. De «ouderlingen» (letterlijk pres-
byters) van Efeze worden door Paulus
«opzieners», of, zooals het woord el-
ders wordt weergegeven, «bisschoppen»
(eTT/ö-Jct^Tot/c, episcopous) genoemd. De
woorden «presbyter» en «bisschop» werden
in dien tijd beide gebruikt voor hen, die
den tweeden rang in het herdersambt
bekleedden. Naderhand werd het woord
«bisschop» beperkt tot hen, die, als op-
volgers der apostelen, den eersten rang
bekleedden.
7. Dat de Philippus, bij wien Paulus
te Cesarea vertoefde, dezelfde was als de
Philippus van Hand. VI en VIH, wordt
bewezen, doordat hij «een van de zeven»
genaamd wordt. Zijne eerste aankomst te
Cesarea wordt vermeld in VHI : 40; van
dien tijd af schijnt hij die stad tot zijne
woonplaats gemaakt te hebben; maar zijn
titel «de Evangelist» toont aan, dat hij
voortging met zijne rondreizen om het
Woord te prediken. Zijne «vier dochters,
die profeteerden», zijn een voorbeeld van
de vervulling van Joël's profetie (II: 28,29),
in Hand. H : 17, 18 aangehaald.
8. In het Oude Testament zijn vele
voorbeelden van dergelijke zinnebeeldige
handelingen als die van Agabus, verricht
om levendigheid en kracht aan eene pro-
fetie te geven; zie 1 Kon. XXH: 11; Jes.
XX : 2, 3; Jer. XHI : 1—11; XXVH:2,
XXVHI : 10, 11; Ezech. IV : 1—13, XH:
3—6. Onze Heer volgde ook deze wijze
van handelen, zie Matth. XVHI : 2; Joh.
XIH : 5.
9. Men zou kunnen vragen, of. indien
de waarschuwingen, die tot Paulus gericht
werden, eene uiting waren van den Hei-
ligen Geest (XX : 23, XXI : 4, 11), hij er
niet naar had moeten luisteren? Maar,
ofschoon zij, die de gave der profetie
bezaten, er door in staat werden gesteld,
hem zijne gevaren en beproevingen te
voorspellen, ontvingen zij geene aanwij-
zing betreffende zijn plicht. Hij bleef zijn
eigen Meester getrouw, en kon niet anders
doen, dan den weg volgen, dien zijn
plicht hem voorschreef, zelfs in weerwil
van de beste menschelijke raadgevers.
Hij was er zich van bewust, dat hij een
groot werk vóór zich had. Dat werk was
(a) «te .Teruzalem getuigenis te geven aan
de Heidensche Gemeente, met het doel
om haar vaster te vereenigen met de
Joodsche»; (6) «voor het laatst aan het
verharde volk Israël de genade te verkon-
digen». De woorden van den Apostel in
Rom. IX, X, XI geven een denkbeeld van
dit gedeelte van zijn werk. Hij spreekt
daar van zijne «groote droefheid en ge-
durige smart, wegens de blindheid zijner
landgenooten» (IX : 1—3). «Hunne zalig-
heid» is «de toegenegenheid zijns harten
en zijn gebed» (X : 1). Hij weet, dat