Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
480
XCIX. OPGAANDE NAAR JERUZALEM. 480
deze giften aan elkander te verbinden —
hij gevoelde, dat hij moest gaan (verg. Luk.
II : 49, IX : 22; Joh. IX : 4). (Welk een
verschil met hen, die zeggen — « Dat be-
hoef ik niet te doen — ik zal doen, wat
ik wilenz.!) En daarom :
2. Hij was standvastig, XX : 24. Gaf
hij dan niet om de tranen en smeekingen
zijner vrienden? Ach, zijn hart brak er
bijna van, XXI : 13 — toch konden zij
zijne plannen niet veranderen. Waarom
niet? Zie 2öen tekst om te leeren — hij
« stelde den Heer voor zich», d. w. z. hij
vroeg gedurig (evenals op den weg naar
Damascus, IX: 6): «Heer, wat wilt Gij, dat
ik doen zal?» — God was dus a aan zijne
rechterhand » en hij was onbewogen. .Maar
nog meer:
3. Hij was « bereid », XXI : 13. Bereid
voor wat? Voor den dood — «om te
sterven». Wat maakte hem bereid: (a)
Het terugzien op hetgeen achter hem lag.
Waarvoor zoude Hij sterven? — «Voor
den naam van den Heer Jezus» — hij
herinnerde zich, wat Jezus voor hem had
gedaan (1 Tim. I : 12—16) — dat Hij
voor hem was gestorven, hij was bereid
voor Christus te sterven. En hij gedacht,
wat hij voor Christus had gedaan — geen
droevige terugblik op een verloren leven —
wat kon hij tot de ouderlingen van Efeze
zeggen? XX : 18-21, 26, 27, 33-35.
Dit was geene zelfverheffing, maar dank-
baarheid, zie 1 Cor. XV: 10. (b) Het voor-
uitzien op hetgeen hem wachtte — «zijnen
loop met blijdschap te volbrengen », XX:
24. {Voorbeeld. — Een jongen, die aan
een wedloop mededoet — tot het einde
toe spant hij al zijne krachten in — om
den prijs te winnen). Dit vooruitzicht was
zoo heerlijk, dat hij het donkere vooruit-
zicht, dat meer nabij was, bijna niet zag
(2 Cor. IV : 17, 18; Rom. VIII : 18).
Gelijk aan zijn Meester, «dewelke, voor
de vreugde, die Hem voorgesteld was, het
kruis heeft verdragen en de schande ver-
acht» (Hebr. XH : 2).
Wij hébben gezieyi, dat Paulus aan
Christus gelijk was; zullen tvij niet trach-
ten Paulus gelijk te zijn? Wui zoude hij
tot ons zeggen? 1 Cor. XI : 1.
Hoe kunnen wij hem gelijk zijn?
(a) Door ons « gebonden» te gevoelen
om den weg van Gods geboden te volgen
— «Hoe zoude ik dan dit een zoo groot
kwaad doen, en zondigen tegen God?»
(Gen. XXXIX: 9); ik moet doen, hetgeen
mijn dierbare Heiland van mij wenscht.
{b) Door standvastig te zijn; ons niet
te laten bewegen door de tegenwerpingen,
den aandrang, den spot, den tegenstand,
de vervolging van anderen. Dit rai komen,
dit moet (2 Tim. IH : 12) — stoor er u
niet aan — geef den wedloop niet op —
«loopt alzoo, dat gij moogt verkrijgen»
(1 Cor. IX : 24).
(c) Door bereid te zijn voor alles, waar-
toe God ons roept, opdat wij met blijmoe-
digheid volbrengen — wat? — onze eigen
plannen? —neen, maar die dingen, welke
God van ons eischt.
Aanteekeningen.
1. Er is geene plaats in de Schrift, waar
de bijzonderheden eener reis zoo nauwkeurig
worden gegeven als hier, behalve in Hand.
XXVII. Het geheele verhaal is dat van
een ooggetuige; het is duidelijk, dat Lukas
den geheelen tijd in het gezelschap van
Paulus was, behalve gedurende de wan-
deling van laatstgenoemde van Troas naar
Assos (vers 13). En behalve de zaken.
die rechtstreeksch vermeld worden, zijn er
nog zooveel andere feiten uit af te leiden,
dat deze, wanneer men ze kent, de leven-
digheid van de geschiedenis niet weinig
verhoogen. De vermelding van het Paasch-
en Pinksterfeest (vers 6, 16) toont ons
b.v. aan, dat de reis in het voorjaar plaats
had, wanneer «het vorderende jaargetijde
de lage kuststreken en de oppervlakte der