Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
476
XCVIII. AANHANGSEL OVER EFEZE.
beeld van Lukas' groote nauwkeurigheid.
11. Sommigen denken, dat, wanneer
Paulus (1 Cor. XV: 32) zegt, dat hij «met
de beesten gevochten heeft te Efeze», hij
op dit oproer doelt. Maar het is bijna zeker,
dat de brief vóór het oproer geschreven
werd, en de toespeling moet dus op de
eene of andere gebeurtenis slaan, die niet
vermeld is. Wij lezen van nog andere
gevaren in Hand. XX : 19. De woorden
zijn zoo goed als zeker beeldspraak; indien
hij werkelijk in het strijdperk had ge-
vochten, dan zou hij het toch denkelijk
in de opsomming zijner «gevaren» in 2
Cor. XI hebben vermeld.
AANHANGSEL XVH. — EFEZE.
Efeze was de hoofdstad van de Romein-
sche provincie « Azië » (Zie hierover Aan-
hangsel XV, blz. 456). Zijne ligging, juist
in het midden van de Aziatische kust der
Aegeïsche Zee, en op het punt, waar de
groote wegen uit het Oosten te zamen
kwamen, maakte, dat het eene plaats van
groot gewicht en van uitgebreiden handel
was. Antiochië in Syrië, Corinthe en Efeze
waren, wat handel betreft, de drie belang-
rijkste steden, die Paulus bezocht. Ofschoon
van Griekschen oorsprong, had het eene
groote Aziatische bevolking, en was bekend
als de bakermat van het grofste bijgeloof.
Efeze was gelegen in eene kleine, effen,
moerassige vlakte, omringd door bergen,
behalve aan de westzijde, waar de rivier
de Cayster in de zee mondde. Vlak achter
de stad verhieven zich twee heuvelen;
op de helling van een dezer, den Berg
Orion, waren de zitplaatsen van een der
grootste amphitheaters ter wereld — de
« schouwplaats » van Hand. XIX : 29 — in
de rots uitgehouwen. Van den top aan den
Orion kan men vele, voor den bijbellezer
belangrijke plaatsen zien. Achter den berg
verheft zich het hooge tafelland van Azië —
de «bovenste deelen des lands» van Hand.
XIX : 1, en het oude plaveisel van den
weg, waarlangs Paulus reisde, is nog te
zien. Vlak tegenover u, aan het andere
einde der vlakte, is de haven, waar hij
aanlandde bij zijne aankomst uit Corinthe —
nu eene ondiepe, nuttelooze, eenzame
plaats. Aan de linkerzijde is de kustweg
naar Milete, langs welken de oversten
van Efeze gingen, om zijne afscheids-
woorden te vernemen. Aan de voeten van
den toeschouwer zijn nog de afgebroken
omtrekken van de groote schouwplaats.
Efeze was vooral beroemd om den wijd
en zijd bekenden Tempel van Diana, een
der zeven wonderen van de wereld. De
oude tempel was afgebrand in den nacht,
dat Alexander de Groote werd geboren;
maar er werd op dezelfde plaats, op
kosten van al de naburige steden, een nog
veel grooter heiligdom gebouwd; de fon-
damenten werden met buitengewone zorg
en groote kosten in den moerassigen grond
aan het uiteinde van de haven gelegd.
Hierop stond, op een terras van 425 voet
lang en 220 voet breed rustende, de tempel
der godin. Hij was omringd door 127 mar-
meren pilaren, elk van 60 voet hoog, een
geschenk van een koning; en binnen het
gebouw waren weder andere kolommen
van jaspis, waarvan er nu nog sommige
in de groote moskee (eerst kerk) van St.-
Sofia te Konstantinopel zijn. In het bin-
nenste van den tempel waren de kost-
baarste houtsoorten op onbekrompen wijze
aangebracht; de schoonste kunstgewroch-
ten van schilders en beeldhouwers ver-
sierden de muren; en daar het gebouw
als een onschendbaar heiligdom werd be-
schouwd, diende het tevens als eene be-
waarplaats voor alle mogelijke kostbare
zaken. Het was, zooals Tristram zegt, de
Bank en het groote tentoonstellingsgebouw
der oude wereld, zoowel als de sterkte,
waarachter zich het Heidendom verschanste.
Het beeld van Diana, dat in dezen tem-
pel bewaard werd, en zooals men beweerde
«uit den hemel gevallen was» (Hand.
XIX : 35), was geen fraai kunstgewrocht,
maar slechts een ruw houten beeld, bijna
in den vorm eener mummie, en geleek
veel meer op een gedrochtelijken Hin-
doeschen afgod dan op een Grieksch
standbeeld.
De Efezers stelden er hunne eer in, om
hunne stad iVeo/coros, of de tempelbewaar-
ster der godin te noemen. Dit woord komt
voor in Hand. XIX : 35. Het is op de
meeste uit Efeze overgebleven munten te
ontcijferen.
Efeze was eene «vrije stad», bestuurd
door hare eigen ambtenaren en eene
volksvergadering. De voornaamste ambte-
naar wordt in Hand. XIX ypet[Z(/,ctrsüi
{gramniateus) genaamd, in onze vertaling