Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
475 XCVIII. ZEGEPRAAL DER WAARHEID TE EFEZE.

liet, werpt eenig licht op het verhaal. De
Meimaand was in het bijzonder aan de
«Diana der Efezeren» gewijd; dan was
er eene groote «godsdienstige» bijeen-
komst. Uit alle steden aan de kust en in
het binnenland kwamen de lonitirs met
vrouw en kind om de lichaamsspelen en
muzikale wedstrijden bij te wonen, en te
genieten van de verschillende vermakelijk-
heden, die van de dagen en nachten dier
Meimaand één lang feest maakten. Dit was
dus juist de tijd, dat de zilversmeden
konden verwachten een levendigen handel
in hunne kleinoodiën te drijven. In plaats
daarvan gingen de zaken zeer slecht.
Het Evangelie had zich namelijk al zoover
uitgebreid, dat het de vraag naar die af-
godische amuletten zichtbaar deed vermin-
deren; en het is niet te verwonderen, dat
de handelaars er door verontrust werden.
De toespraak van Demetrius is eene merk-
waardige getuigenis voor de overwinningen,
die Paulus behaald had.
In de bijeenkomst, die door Demetrius
werd opgeroepen, komen drie klassen van
menschen voor: hij is de «zilversmid»,
de fabrikant (en misschien waren er nog
meer fabrikanten tegenwoordig); die «van
die kunst» zijn; zij, die de beeldjes ont-
werpen en modelleeren; en de «hand-
werkers » zijn de mindere arbeiders.
6. In vers 26 hebben wij een merk-
waardig voorbeeld van de neiging om
stoffelijke afbeeldingen van de voorwerpen
van aanbidding te hebben. De meer ont-
wikkelden beschouwden de beelden niet
als de eigenlijke goden; maar het volk
deed dit wel, zooals Demetrius dit uitdrukt,
wanneer hij er zich over beklaagt, dat
Paulus leert, «dat het geene goden zijn,
die met handen gemaakt worden ».
7. De menigte, die samenkwam op het
geroep van de handwerkers, schijnt eerst
Paulus gezocht te hebben — waarschijn-
lijk in het huis van Aquila; en toen hij
daar niet gevonden werd, schijnen zij
Gajus en Aristarchus gegrepen te hebben,
en naar het amphitheater, de gewone plaats
voor volksoploopen (zie Aanhangsel XVH
hierachter), gesneld te zijn. Zie een soort-
gelijk voorval in hoofdst. XVH : 5, 6.
Misschien was het bij deze gelegenheid,
dat Aquila en Priscilla « hunnen hals ge-
steld hebben» om het leven van Paulus
te redden (Rom. XVI : 3, 4).
8. De « oversten van Azië » waren wel-
varende burgers, die jaarlijks gekozen
werden om de Meifeesten te regelen, en
van wie men verwachtte, dat zij uit eigen
middelen groote sommen voor die feeste-
lijkheden ten koste zouden leggen. Dat
zulke mannen vrienden waren van Paulus,
ofschoon blijkbaar geene bekeerden, ge-
tuigt zeer voor het aanzien, waarin hij
stond, en bevestigt hetgeen de stadsschrij-
ver in vers 37 zegt.
9. In vers 33, 34 schijnt beschreven te
worden, hoe de Joden, vreezende, dat zij,
daar zij geene vereerders van Diana waren,
in hetzelfde lot, dat de Christenen dreigde,
zouden betrokken worden, Alexander (mis-
schien de «kopersmid» van 2 Tim. IV r
14) deden voorkomen, om hen te verde-
digen ; maar de eenige uitwerking hiervan
was, dat de hartstochten der menigte nog
meer ontvlamd werden,
10. De « stadsschrijver» was de voor-
naamste plaatselijke ambtenaar; zie Aanh.
XVII hierachter. Zijne toespraak is eerk
zeldzaam toonbeeld van doorzicht en beleid.
Eerst verzoent hij het volk, door op der>
roem der stad en dien harer godin te wijzen.
Dan vraagt hij, hoe het mogelijk zou zijn,
dat iemand aan dien roem schade zou
doen, en dan nog wel menschen. die
(wat hun geloof ook was), een stil leven
leidden, en geene heiligschennis tegen den
tempel bedreven, noch in het openbaar
de godin Diana lasterden. (Eene merk-
waardige getuigenis voor de gematigdheid,
waarmede Paulus predikte; met al zijn
ijver, was hij geen ij veraar; hij verkwistte
zijn tijd niet met Diana aan te vallen,
maar predikte enkel Christus). Daarna
herinnert de «stadsschrijver» de menigte,
dat juist in dien tijd de rechtsdagen werden
gehouden, en dat de proconsuls bereid
waren om kennis te nemen van de zaak,
indien Demetrius eene aanklacht had in
te brengen; of, indien het eene zaak van
algemeen belang was, dan kon zij voor
de vastgestelde wettelijke volksvergadering
gebracht worden (zie het Aanhangsel);
maar zulk een oproer zou niets anders
doen dan de plaatselijke voorrechten, die
j de Romeinen hem toestonden, in de
I waagschaal stellen.
I De « stadhouders » of proconsuls waren
de Romeinsche bestuurders der provincie.
Gewoonlijk was er slechts een; maar de
geschiedenis levert het bewijs, dat er in
; die dagen twee waren, — weder een voor-