Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
472
XCVIII. ZEGEPRAAL DER WAARHEID TE EFEZE.
I. Eon strijd tegen het bijgeloof.
Wij zijn in de Handelingen een paar
maal in aanraking gekomen met toovenaars
en waarzeggers {Les XCIV, XCVI) — en
wij hebben gezien, hoe de menschen in
die dagen tot hen hunne toevlucht namen.
Dit was een van de listen van den Satan
— hij wist, dat de menschen voorlichting
en raad verlangden — hij wilde {en konde)
hun den rechten weg niet wijzen — !
leidde hen dus op een dwaalspoor. En zij,
die niets wisten van den Goeden en Hei-
ligen Geest, die onze leidsman is (Joh.
XIV : 26, XVI: 13), gingen, of meenden,
dat zij gingen, naar andere geesten (Hand.
XVI : 16) — evenals de ongelukkige
Koning Saul (1 Sam. XXVIII : 6, 7). Te
Efeze werden allerlei toovenarijen uitge-
oefend — de menschen waren er uiterst
bijgeloovig — zij waren gewoon kleine
versieringen, met vreemde woorden of het
beeld van Diana er op, bij zich te dragen,
meenende, dat deze hen voor gevaar
zouden behoeden {Zie Aant.S,^). Zie nu,
hoe het Evangelie over al deze dingen
zegepraalde.
(1) Zie vers 11, 12 — a ongewone
krachten », wonderen, die geleken op het-
geen de toovenaars voorgaven te doen,
maar nog verrassender. Zoo werd er een
te Jeruzalem verricht, Hand. V : 15. Toen
had de schaduw van Petrus zieken op |
straat genezen. Nu werden de zieken niet |
eens tot Paulus gebracht: zelfs de voor-
schooten, die hij droeg bij het tenten-
maken, de doeken, waarmede hij zich
het verhitte gelaat afwischte, waren ge-
noeg om hen te genezen! (Zie Aant. 1).
Waartoe zulke ongewone wonderen? Om
te toonen, dat de God van Paulus grooter
was dan hunne afgoden en duivelbezweer-
ders (zie Ps. C.KV : 2—9); opdat zij zouden
zeggen, evenals de Egyptische toovenaars:
aDit is Gods vinger» (Exod. VIII : 19).
(2) Onder meer wonderen wierp Paulus
duivelen uit «in den naam van Jezus»
(zie XVI : 18). Zie wat eenige reizende
Joodsche waarzeggers (zie Aayit. 2) doen,
vers 13, 14 — zij trachten hen na te
doen! — misschien denken zij, dat alleen
de klank van .lezus' naam genoeg is. Wil
de Heer hen tot bondgenooten hebben?
Geenszins (verg. Mark. I : 25, 34). Zullen
de duivelen hen gehoorzamen? Neen, de
Satan kent het verschil tusschen een waren
en een valschen dienstknecht van Christus
— hij is niet bang voor den laatste. Wat
gebeurt er? vers 15, 16.
(3) Zie de uitwerking van al deze won-
deren, vers 17—20. Die geheele groote
stad wordt door vreeze overvallen! Waar-
voor bevreesd? Voor Paulus? Maar hij
zeide hun toch zeker, wat Petrus tot de
Joden zeide (III : 12, 16) — en dus werd
niet zijn naam, maar de <( naam des
Heeren Jezus groot gemaakt».
(4) En nu wordt er een groot vreugde-
vuur te Efeze ontstoken. Wat wordt er
verbrand? — wat voor zaken werpen wij
in het vuur? — Zaken, die niet deugen
of geene waarde hebben — hoeveel waren
deze boeken waard? Waarom werden zij
dan verbrand? Omdat het slechte boeken
waren — niets anders bevattende dan de
verborgen kunsten der toovenaars, enz.
Wie verbrandde ze? Niet Paulus en zijne
medehelpers — neen, de toovenaars zei-
ven! — waarom? Zie vers 18 — zij ge-
loofden in Christus, maar gingen toch
eerst voort met hunne toovenarij; maar
nu zijn ze door deze wonderen ontsteld —
zij gevoelen hoe groot de Heer Jezus is —
zij gevoelen, dat zij alles op moeten offeren,
wat Hem kan mishagen. Konden zij deze
boeken niet verkoopen ? Ja, maar zouden zij
ze dan opofferen, indien zij het geld had-
den? — en zouden de boeken dan niet elders
kwaad kunnen stichten? Neen, liever alles