Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
471 XCVIII. ZEGEPRAAL DER WAARHEID TE EFEZE.

Belangrijke toepassingen kunnen uit het gedrag van Demetrius en zijne
arbeiders afgeleid worden; maar deze zouden alleen geschikt zijn voor bijzon-
dere klassen en (misschien ook) bijzondere plaatsen. Het zij genoeg hier te
zeggen, (a) dat er beroepen zijn, waarin velen onzer leerlingen opgeleid worden,
die bepaald schade zouden lijden door de verbreiding van werkdadige gods-
vrucht, — ambachten, door welke duizenden «hunne welvaart hebben», die
hunne winst, gedeeltelijk of geheel, ontleenen aan de zonde en de dwaasheden
van anderen; (b) dat oudere jongens en meisjes dikwijls in de verzoeking
zijn om hun geweten ongehoorzaam te wezen en den waren vrede des gemoeds
op te offeren, door, met het doel om «vooruit te komen», bezigheden te
aanvaarden, waarvan zij weten, dat zij niet samengaan met hunne roeping
als Christenen.
Schets van de Les.
Wij zien Paulus nu te Efeze. Eene zeer
groote stad — fraaie gebouwen, een ont-
zaglijk groot amphitheater, de schoonste
Tempel der wereld {Beschrijf; zie Aan-
hangsel XVH, blz. 476).
En toch heerscht er groote duisternis
in die stad. Die groote Tempel is ingericht
voor de vereering van een afschuwelijk
houten beeld, dat, naar men zeide, uit den
hemel was gevallen (zie Hand. XIX : 35).
De Efezers waren slechte menschen,
dieven (Ef. IV : 28), dronkaards (V: 18),
twistgierig en wraakzuchtig (IV : 31), zij
gebruikten onbehoorlijke taal (IV : 29,
V : 4), deden dingen te schandelijk om
vermeld te worden (V : 12). Er was slechts
ééne plaats te Efeze, waar de duisternis
niet zoo groot was, waar de ware God
gediend werd (Hand. XVIII : 19), eene
Joodsche Synagoge.
Hier brengt Paulus nu het licht van het
Evangelie en spoedig zUllen wij zien, welk
eene verandering hierdoor tot stand komt.
Wij zien den Apostel driejaren lang (Hand.
XX : 18—21, 31, 34) het Woord prediken.
Stel u voor, hoe hij dag aan dag arbeidt,
om met het maken van tenten in zijn
onderhoud en in dat van anderen te
voorzien (Hand. XX: 34) en in zijne vrije
uren, «nacht en dag» (vers 31), van
straat tot straat, van huis tot huis (20),
«met tranen» in de oogen (31), «een
iegelijk 9 (31), jongen en ouden, rijken
en armen waarschuwt en vermaant, niet
ophoudt, in weerwil van vele gevaren,
in het openbaar te prediken. Geen wonder,
dat God zulk een arbeid zegende!
In de geheele provincie Azië, met al
hare groote steden (zie Openb. 1 : 11),
verbreidde zich het Evangelie; groote
menigten «bekeerden zich van de duis-
ternis tot het licht» — en van wat nog
meer? zie XXVI : 18 — nvan de macht
van den Satan tot Gody>.
Wij hebben Paulus zijne eerste zendings-
reis zien aanvaarden — wat zeiden wij
toen, dat hij ging doen? {zie Les XCIV)
— strijden in den grooten strijd, den
Satan in zijne «sterkte» aanvallen, ze
nederwerpen (2 Cor. X: 4), de menschen
uit zijne macht verlossen.
Hier, te Efeze, wordt zijn aanval op de
vijandelijke sterkte met een zeer goeden
uitslag bekroond; zooals wij gezien hebben,
werden velen gered. Maar dit kan zoo
niet voortgaan — de Satan kan niet zoo
gemakkelijk overwonnen worden — hij
zal krachtigen tegenstand bieden. Zien
wij heden tweemaal een hevigen strijd
te Efeze.