Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
468
CXVII. AANHANGSEL OVER ATHENE.
persoonlijken Schepper, Bewaarder en
Bestuurder, eene scherpe tegenstelling met
de Epicureïsche leer van het toeval, en de
Stoïcijnsche leer van een meedoogenloos
lot. Daar zij de eenheid van het mensch-
dom vaststelde (vers 26), was zij eene be-
straffing voor den nationalen trots der
Atheners in het algemeen (die de menschen
in twee klassen, Grieken en Barbaren,
verdeelden), en verwierp zij ook het denk-
beeld, dat elk volk zijne eigen goden zou
hebben. De gedachte aan eene opstanding
moest weder zeer verwerpelijk toeschijnen
aan menschen, die het lichaam beschouw-
den als eene belemmering voor de hoogere
bestemming der ziel. En wat aangaat de
meening, die Paulus uitsprak aangaande
de afbeeldingen der godheid en de tem-
pels, die der godheid ter woon waren
gegeven, moet er niet weinig moed toe
noodig geweest zijn om zulk eene taal
te spreken, staande op zulk eene plaats,
omringd door de verhevenste uitingen van
het menschelijk genie, met den Acropolis
vlak boven zich, bekroond met het heerlijke
Parthenon en het reusachtig beeld van
Minerva, dat in de zon glinsterde (Zie
Aanhangsel hieronder).
{(1) De aanhaling in vers 28 is uit een
astronomisch gedicht van Aratus, een
Cilicisch dichter, en dus een landgenoot
van Paulus. Bijna dezelfde woorden komen
voor in een lofdicht ter eere van Jupiter j
door Cleanthes, een Stoïcijn; en soortgelijke i
gevoelens zijn veel te vinden in de Griek- i
sehe letterkunde. Waarschijnlijk gebruikt |
Paulus daarom het meervoud «dichters».
(e) «God dan, de tijden der onwetendheid
overgezien hebbende». Paulus schrijft aan
God geduld, geene oogluikende toelating
van ongerechtigheid toe. Zie Ps. L : 21;
Hand. XIV : 16; Rom. III : 25. Alford
merkt op: «In deze verzekering liggen
schatten van genade voor hen, die in de
tijden der onwetendheid leefden ».
(f) «Verzekering daarvan doende aan
allen». Hier is een toon van bemoediging.
Het denkbeeld is, dat, daar een «lenscÄ als
Rechter wordt aangesteld, het oordeel niet
alleen rechtvaardig, maar genadig zal zijn,
daar het gevoeld wordt door Eenen, die
medelijden kon hebben met de menschen.
Vers 31 wordt door Vaughan aldus om-
schreven :
«Er is een dag des oordeels. Het is een
vastgestelde dag, ofschoon wij den tijd
niet weten. Dat oordeel zal een recht-
vaardig oordeel zijn. Alle zonde zal er
bevreesd voor wegzinken. En dat oordeel
zal geveld worden door een Man; ja, door
Eenen, die even waarachtig mensch is als
God. En dat Hij werkelijk met dit ambt
van Rechter is bekleed, blijkt daaruit, dat
Zijne eigen opstanding reeds voltooid is.»
7. Dyonisius, de Areopagiet, d. w. z.
een lid van het Hooge Gerechtshof, is,
naar men zegt, naderhand Bisschop van
de Kerk te Athene geworden, en heeft
den marteldood ondergaan. De bouwvallen
eener kerk, die te zijner eer werd opge-
richt, zijn nog te zien. Van Damaris is
niets bekend.
AANHANGSEL XVL — ATHENE.
De stad Athene stond en staat nog op
eene vlakte tusschen de bergen van Attika
en de zee, besproeid door de rivieren
Gephissus en Ilissus. Daarachter is in het
Noordoosten een hooge bergtop, de Lyca-
bettus; en binnen de muren der stad is
een kleinere top, die zich steil boven de
vlakte verheft, de Acropolis, en nog eenige
onbelangrijke hoogten, waaronder de Areo-
pagus, de Pnyx en het Museum.
Deze door de natuur gevormde kentee-
kenen van de ligging der stad hebben
natuurlijk geene verandering ondergaan
in den loop der tijden. Maar men kan
zich een nog juister denkbeeld vormen
van het oude Athene uit de beschrijving,
welke Pausanias, een reiziger en oudheid-
; kundige, die de stad ongeveer vijftig jaar
na Paulus bezocht, er van geeft.
Het is zoo goed als zeker, dat het schip,
hetwelk den Apostel naar Griekenland
voerde, het anker wierp in de haven van
Piraeus. Deze havenplaats was letterlijk
een gedeelte van Athene, ofschoon zij er
vijf mijl van verwijderd was, want de ver-
sterkingen werden door Themistocles van
de stad naar de haven toe uitgebreid door
middel van eene dubbele borstwering, «de
Lange Muren» genaamd. Deze waren echter
niet meer dan bouwvallen, toen Paulus de
lange straat doorging, die tusschen beide
liep; en tegenwoordig kan men slechts
hier en daar sporen van de fondamenten
vinden.