Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XCYII. YERKONDIGIXCt VAX DEN LEVENDEN GOD TE ATHENE.
467
Demosthenes beklaagde zich, toen hij zijne
landgenooten tegen Philippus van Mace-
donië opzette, over hun nutteloos uitzien
naar nieuws, wanneer zij zich met kracht
moesten toeleggen op het verdedigen hun-
ner vrijheid. «Is dat uw hoogste doel,»
zeide hij, «om altijd naar de Agora te
gaan, en te vragen welk nieuws er is?»
4. Athene was de hoofdzetel van vier
groote scholen van wijsbegeerte, nl. de
peripatetici (volgelingen van Aristoteles),
die in het «Lyceum» bijeenkwamen; de
a Academistejiï) (volgelingen van Plato),
die in de «Academie» bijeenkwamen;
de Epicureërs (volgelingen van Epicurus),
die in den «Tuin» bijeenkwamen; en de
Stoicijne?i (volgelingen van Zeno), die in
de «Poort» (sïoa in het Grieksch—van-
daar de naam der sekte) bijeenkwamen.
Ofschoon de twee eerste scholen een groo-
ten invloed hebben uitgeoefend op de
Christelijke gedachtenwereld, schijnen al-
leen de twee laatste tegen Paulus opge-
komen te zijn.
De Epicureërs waren atheïsten en mate-
rialisten; zij geloofden, dat de wereld door
eene werking van het toeval was ontstaan.
De Stoïcijnen waren pantheï.sten, achtende,
dat alles slechts een deel was van een
reusachtig geheel, waarvan de natuur de
belichaming, God de ziel was. Geen van
beiden geloofden in een toekomend leven
en de onsterfelijkheid der ziel, evenmin
als in een persoonlijken zedelijken Be-
stuurder en Rechter. Maar hunne ethische
stelregels waren geheel tegenovergesteld.
Het hoogste doel van den Epicureër was
zichzelven genoegen te doen; en Paulus
doet inzien, dat dit het natuurlijke gevolg
was van hun niet gelooven aan een toe-
komend leven, wanneer hij hun stel-
regel op ironische wijze aanhaalt in 1 Cor.
XV : 32. De Stoïcijnen daarentegen be-
schouwden dit als de hoogste roeping der
menschen, dat zij zich verhieven boven
alle genoegen en smart, en eene koude
onverschilligheid toonden voor al de be-
geerten van het eigen ik en de gevoelens
van anderen. De woorden «epicurist» en
«stoïcijn», die door ons gebruikt worden
en welke afgeleid zijn van deze twee
sekten, geven een algemeen denkbeeld van
beider karaktertrekken.
Tot de Stoïcijnsche school behoorden
sommigen der edelste mannen uit de oud-
heid; toch was zij in werkelijkheid even
ver verwijderd van de zachtmoedigheid
en nederigheid van het Christelijk karak-
ter, als de Epicureërs van de zelfverloo-
chening en zelfopolfering, die de kracht
uitmaken der Christelijke deugd. Zoowel
Hoogmoed als Genotzucht moesten een
aanstoot nemen aan de leer van Paulus.
5. Een «klapper» beteekent in het oor-
spronkelijke letterlijk een vogel, die zaad
oppikt. Het woord werd verachtelijk toe-
gepast op iemand, die nieuwtjes, welke
hij van iemand anders gehoord had, weder
rondventte, en zelf niets belangrijks te
zeggen had. « Het verkondigen van vreemde
goden» was juist de beschuldiging, die
tegen Socrates, den grootsten der Atheners,
werd ingebracht, en om welke hij de dood-
straf onderging. Het behoorde tot het ge-
bied van het hooge «Hof der Areopagieten »
om zulke zaken te behandelen; maar,
ofschoon Paulus naar de plaats hunner
bijeenkomsten werd gebracht, schijnen
zij niet tot een rechtsgeding te zijn over-
gegaan. Op beleefde wijze wordt hem
gevraagd zijne leer te verkondigen; en na
dit gedaan te hebben, gaat hij stil « uit
hun midden weg».
6. De volgende korte aanteekeningen
over de redevoering van Paulus zullen
voldoende zijn:
(a) De aanhef van deze merkwaardige
toespraak getuigt van groot doorzicht en
tact. In plaats van dadelijk een aanval te
doen op hunne afgoderij, begint Paulus
met op hofl'elijke wijze hun welbekenden
godsdienstzin te erkennen {Zie Aant. 2).
Zulk een godsdienstig instinct, in welk
eene verkeerde richting het zich ook be-
woog, was beter dan eene volslagen ban-
deloosheid en de onbeschaamdheid van het
zelfvertrouwen. Het was iets, waarop
Paulus zich kon beroepen.
{b) Maar door eene bekwame wending
weet hij hun na deze lofrede, hunne
onwetendheid onder het oog te brengen.
«In uw verlangen om elke godheid te
verzoenen, hebt gij erkend, ik zag het
uit dat opschrift, dat er eene godheid is,
die gij niet kent». Dan wekt hij, door
zijne woorden: «Dezen verkondig ik u-
lieden», hunne nieuwsgierigheid op, en
tegelijkertijd maakt hij, dat zij hem niet
beschuldigen kunnen van vreemde goden
te verkondigen.
(c) De geheele toespraak vormde, door
haar aannemen van het bestaan van een