Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
466
XCVIl. VEKKOXDIGlXCt VAX DEN LEVENDEN GOD TE ATHENE.
25 — zoudt gij dit tot God kunnen zeg-
gen? Of tot iets anders? Hoe dikwijls
zegt men «Jk zou alles ter wereld voor
dit of dat geven »! dan is dat de afgod.
Zie nu Ps. LXHI : 7 — David «gedacht»
God aop zijne legerstede», «in de nacht-
waken» — doet gij dit? Of denkt gij
alleen aan de genoegens van den voor-
gaanden dag, aan het vermaak van mor-
gen; aan het winnen van meer geld, of
het verkrijgen van meer aanzien? Zijn
deze dingen niet voor wat God was
voor David? De Bijbel noemt eenige «af-
goden van het hart»; PhiL Hl : 19 —
de vleeschelijke honger; 2 Tim. 111:4 —
zinnelijk genot; Ps. LH : 9 — rijkdom.
Het kan ook iets (/oeds zijn, zooals kennis,
of, iemand, dien gij lief hebt; maar indien
het hooger staat dan God, is het een afgod.
(2) Misschien gelijkt gij in een ander
opzicht op de Atheners. Gij gevoelt mis-
schien, dat er toch een God is, dien gij
niet dient — een God, die zegeningen of
beproevingen kan zenden, maar die niet
uiv God is; gij zijt bevreesd voor Hem,
en hoopt, dat Hij genadig zal zijn, maar
gij zijt er niet zeker van. Is dat niet «een
Onbekende God»? aDezen verkondigen
wij u» — onze grootste wensch is, dat
gij Hem zoudt kennen en liefhebben —
waarom? Joh. XVH : 3. Aan Hem zijt gij
alles verschuldigd — zonder Hem kunnen
wij geen ademtocht voortbrengen (l^te
tekst om te leeren) — moest gij Hem
dan niet kennen, d. w. z. vertrouwelijk,
als een Vriend? Indien gij slechts wist
welk een vriendelijk en genadig Vader Hij
is, dan zoudt gij u afkeeren van de afgoden
om den levenden God te dienen.» Zie
j Rom. VHI : 32 — wat kunnen wij nog
I meer verlangen?
Aanteekeningen.
1. Zie over Athene en de tempels, enz.
Aanhangsel XVI, blz. 468. De «markt» is
in het Grieksch «Agora» — een woord,
dat oorspronkelijk eene verzameling men-
schen beteekent, maar naderhand (evenals
het woord «kerk») voor de plaats van bij-
eenkomst werd gebruikt, en eindelijk op
de marktplaats of het groote plein in eene
stad. «Areopagus» is het Grieksch voor
nHeuvel van Mars».
2. «Zeer afgodisch», letterlijk «vol van
afgoden». Van geene stad kan dit zoo
naar waarheid gezegd worden als van
Athene. De reiziger Pausanias zegt, dat
er daar meer goden waren dan in het
geheele overige gedeelte van Griekenland;
en de hekeldichter Petronius, dat het ge-
makkelijker was een god te vinden dan
een mensch. Vele andere, oude schrijvers,
waaronder Josephus, getuigen van den gods-
dienstzin der Atheners. Maar het was een
godsdienst, die kunst en genot huldigde,
en zonder eenige zedelijke kracht was.
Het was louter eene vergoding van men-
schelijke eigenschappen en de krachten
der natuur. Om er een goed begrip van
te krijgen, moeten wij door de duisternis
van enkel onwetendheid dringen tot de
diepere duisternis van zedenbederf en zonde.
De schandelijkste losbandigheid werd aan-
gemoedigd door de kunstwerken, die in
het openbaar waren tentoongesteld, door
het volksgeloof betreffende het karakter
der goden, en door de plechtigheden der
bestaande godsvereering. De moralist Se-
neca, zelf een Stoïcijn, zegt, dat er onmo-
gelijk eene andere uitwerking door ver-
kregen kon worden, dan dat de menschen
alle schaamte verloren over de zonde, in-
dien zij in zulke goden geloofden.
De altaren aan «den onbekenden God»
worden minstens door twee Heidensche
schrijvers genoemd. De reden, waarom
zij werden opgericht, was zeker de wensch
om eene godheid te verzoenen, van welke
men veronderstelde, dat zij de eene of
andere ramp had gezonden, en men niet
wist aan welke godheid men deze moest
toeschrijven.
3. Ér kon geen juister beschrijving
gegeven worden van het Atheensche leven
dan in vers 21. «Wat nieuws» is letterlijk
«wat nieuwers», d. w. z. nog iets laters
dan het laatste nieuws. De groote redenaar