Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XCVII. VERKONDIGING VAN DEN LEVENDEN GOD TE ATHENE. 465
Daarna spreekt hij hun van dezen on-
bekenden God:
(а) Hij heeft aÜe dingen gemaakt,
vers 2i-, 25. Dit is geen God, dien zij
aan de schare hunner godheden kunnen
toevoegen. Paulus zou zeggen, zooals wij
dit in de Apostolische Geloofsbelijdenis
doen: «Ik geloof in God, den Almachtigen
Vader, Schepper», enz.; zie 1 Cor. VIII :
4—6. Hoe kan Hij dan wonen in een
tempel met handen gemaakt, die Hij
zelf geschapen heeft? (1 Kon. VHI : 27;
Jes. LXVI : 1; Hand. VH : 48—50). En
(vers 25), indien alles, wat wij hebben,
ons door Hem gegeven is, hoe kunnen
wij dan, door olferanden op onze altaren,
Hem iets geven? (Ps. L : 9—13).
(б) Hij beschikt alle dingen, vers 26—
29. Dat wil zeggen, dat Hij alles regelt—
Hij heeft de wereld niet geschapen, en
haar toen aan zichzelve overgelaten, maar
Hij is altijd tegenwoordig, Hij houdt in
stand, zorgt, bestuurt. Zie l^ten tekst om
te leeren; Neh. IX : 6; Ps. CXV : 3;
Matth. X : 29. — Zie wat Paulus hun
zegt, dat God gedaan heeft: —vers 26 —
«Gij Grieken denkt, dat andere volkeren
van lagere afkomst zijn dan gij: neen,
allen behooren tot één geslacht (nl. dat
van Adam), en indien gij in andere din-
gen hooger staat, is dit, omdat God u
zooveel kennis gegeven heeft, want Hij
heeft beschikt waar en wanneer gij zoudt
leven» vers 27 — «Waarom doet God
zooveel voor ons? Opdat de menschen,
al zijn zij blind en onwetend, toch zouden
kunnen trachten Hem te zoeken (evenals
een blinde, die door ^osien den weg vindt);
en Hij is niet ver van een iegelijk van
ons (zie Ps. CXXXIX : 1—12). Vers 28,
29 — «Gij moest dit alles weten, want
uw eigen dichters hebben u «Gods ge-
slacht» genoemd; en indien dit zoo is,
hoe kunt dan gij. Zijne schepselen, met al
! uw goud, zilver en marmer, en al uwe
kunde, eene gelijkenis van uwen Schepper
i maken?» (Zie Jes. XL : 17, 18, 25).
(c) Hij is een Rechter van allen, vers
30, 31. Is het deren Schepperen Bestuur-
der van allen onverschillig, hoe de men-
schen leven ? Behaagt het Hem de menschen
hun tijd in lediggang te zien doorbrengen;
ziet Hij met welgevallen neer op de afgo-
dendienaars, de genotzieke Epicureërs en
trotsche Stoïcijnen? Ziet, zegt Paulus,
Hij heeft u lang aan uw lot overgelaten;
Hij heeft u niet gestraft, zooals Hij had
kunnen doen» (zie Aant. 6e); maar nu
is er eene boodschap tot allen in alle
plaatsen (verg. Mark. XVI: 15), welke ik,
Paulus, u breng. Welke was die bood-
schap? Waarom moesten zij zich be-
keeren? Omdat er een dag was vast-
gesteld voor het oordeel. Wie en wat zal
dan geoordeeld worden? Pred. XI : 9,
XH : 14; Rom. XIV : 12; 2 Cor. V : 10;
Openb. XX : 12, 13; spreekt hij hun nog
van ééne kans op genade? Ja — zou hij
hen tot «bekeering» noodigen, indien
deze niet baatte? En zie vers 31 — hij
begint hun juist te leeren van een Man
{zie Aant. 6/') — wie is dat? Joh. V: 22, 23.
Aldus had Petrus tot Cornelius gespro-
ken (X : 42) en wat had hij verder gezegd?
(43) — Vergeving van zonden door Zijn
Naam». Zonder twijfel ging Paulus dit ook
den Atheners verkondigen — waarom deed
hij het echter niet? vers 32, 33. AVelk
een einde van deze groote redevoering!
Hoe waar is 1 Cor. Hl : 6, 7!
Gelijkt gij op de Atheners?
(1) Gij zegt misschien; «In alle geval
niet in de afgoderij.» Ja, gij aanbidt geene
afgoden van goud, zilver en steen. Maar
zie Ezech. XIV : 3—5, — er zijn ook
«afgoden in het hart». Hoe kunnen wij
zeggen, welke zij zijn? Zie Ps. LXXIH :
30