Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
464 XCVIl. VEKKOXDIGlXCt VAX DEN LEVENDEN GOD TE ATHENE.
Tempel te Jeruzalem wezen (Matth. XXIV :
1, 2) — droefheid — waarom? omdat al
de Tempels ter eere van valsche goden
gebouwd waren — vele beelden valsche
goden voorstelden. Hij had zulke zaken
ook elders gezien, maar hier waren er
zoo vele! — Athene v/diSVol van afgoden
{zie Aant. 2) — men placht te zeggen: «Het
is gemakkelijker daar een god dan een
mensch te vinden!» Hoe waar is hetgeen
hij eenige jaren later schreef, Rom. 1: 23.
2. Het volk. Athene was in het geheel
niet als Philippi — er waren geen Romein-
sche soldaten — er werd ook geen handel
gedreven, zooals te Thessalonika. De men-
schen schenen niets anders te doen te
hebben dan te praten, zie vers 21 {Zie
Aant. 3). Vooral op de «markt» (vers 17) —
deze geleek niet op onze markten, maar
was eene schoone, open ruimte met
boomen, standbeelden, fonteinen, zuilen-
gangen, waar zich altijd eene menigte
lediggangers en nieuwtjeskramers bevond.
Zouden zij zich om godsdienst bekom-
meren? Ongetwijfeld {zie Aant. 6a) —zij
hadden al die Tempels gebouwd, om (zooals
zij dachten) al de goden te behagen —
en uit angst om er een over te slaan, een
altaar voor — zie vers 23 {Zie Aant. 2).
Zou dit Paulus niet nog treuriger stemmen?
AVaarom ? Zie Joh. XVH : 3; 2 Thess. 1:8 —
(t kenden» de Atheners «God?»
3. De wijsgeeren. {Zie Aant. 4). Indien
het mindere volk zoo dwaas en onwetend
was, dan waren toch zeker de geleerden
wijzer —? Zij ac/iWen zich zeiven aldus —
en geloofden niet in de afgoden — toch
«kenden zij uit de wijsheid God niet»
(1 Cor. I : 21) — wat zegt onze tweede
tekst om te leeren? — «Zich uitgevende
voor wijzen, zijn zij dwaas geworden».
Twee klassen van wijsgeeren worden ge-
noemd, vers 18, De Epicureërs dachten,
dat er geen God was; de Stoïcijnen dachten,
dat de wereld zelve God was! Geen van
beiden hadden zij eenig begrip van een
liefhebbend Vader, die voor de menschen
zorgt, of van een alziend rechter, die hen
gadeslaat. Epicureërs waren * liefhebbers
der wellusten» (2 Tim. 111:4) en zeiden:
«Laat ons eten ea drinken, want morgen
sterven wij » (1 Cor. XV : 32); de Stoïcijnen
waren trotsch, hadden strenge zeden en
verachtten de anderen. Epicureërs geleken
op de Sadduceërs, Stoïcijnen op de Fari-
zeërs. Hoe anders was Paulus! Zie Rom.
XV : 7, 8; 1 Cor. VI : 19, 20.
n. Wat Paulus tot de Atheners
sprak.
Wat deed hij, toen zijn «geest ont-
stoken» was? vers 17 — «hij handelde
alle dagen». Zijne woorden waren «iets
nieuws» voor hen, al de lediggangers
waren dus nieuwsgierig ze te hooren (vers
19—21>. Waar brachten zij hem? Vers 19 —
van de drukke «markt» naar den Areo-
pagus, of Heuvel van Mars (vers 22) —
daar was het stiller — daar was ruimte
voor allen om neder te zittenen naar hem
te luisteren {Zie Aanhangsel XVI, blz.
468 V.V.).
Zijne woorden waren wonderbaar — ge-
leerden bestudeeren ze met bewondering —
dit was juist wat tot dat volk in die stad
gezegd moest worden. Hoe kwam het, dat
hij zoo goed sprak? Zie Matth.X : 19,20;
Luk XXI : 15 (verg. Exod. IV : 11, 12,
Jer. I : 6—9; Hand. IV : 8, XHI : 9).
Gij kunt niet alles begrijpen, maar een
paar zaken moet ge toch opmerken: —
Eerst spreekt hij van hen zeiven, vers
22, 23. Op deze wijze: «Ongetwijfeld zijt
gij zeer godsdienstig; maar toch erkent
gij, dat er een God is, dien gij niet kent,
want ik heb een altaar gevonden», enz.;
«er is een God, dien gij niet kent, en
ik kom Hem aan u verkondigen» {Zie
Aant. 6a, b).