Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XCVI. DE STOKllEWAARDER EN ZIJNE GEVANGENEN.
461
Aanteekeningen.
1. De woorden «een waarzeggende geest»
zijn in het oorspronkelijke « een geest van
Python-». Python was de naam van den
god Apollo, en de priesteres, die het orakel
aan het beroemde altaar van Delphi ver-
klaarde, heette de priesteres van Python.
Men dacht, dat de dienstmaagd te Philippi
op ongeveer dezelfde wijze bezield werd,
als die priesteressen.
De woorden van Paulus drukken dui-
delijk uit, dat de dienstmaagd werkelijk
« van den duivel bezeten » was; maar hier-
uit blijkt nog niet, dat zij ook werkelijk
het vermogen had om de toekomst te
openbaren.
«Het vraagstuk, of God toeliet, dat
eene ziel, die ten prooi was aan verstan-
delijk en zedelijk lijden, onder de macht
van een geest viel, die aan dien persoon
werd verbonden, is nog geheel afgescheiden
van de aanspraak op bovennatuurlijke
kennis en profetie, waarvan de bezetene
als de verkondiger werd gekozen. In wer-
kelijkheid doet het ontwijfelbaar bestaan
der bezetenheid de laagheid van het bedrog,
dat handel dreef in het ergste kwaad,
dat der menschheid kon overvallen, nog
in «een scheller licht uitkomen». Zie Les
XXI, Aant. 1.
2. Het schijnt, alsof ongeveer in dezen
tijd (zooals onder de regeering van Cali-
gula, zie Les XC, Aant. 4) de Joden
vervolging leden van de Romeinen. Uit
XVIII : 2 vernemen wij, dat Keizer Clau-
dius al de Joden uit de hoofdstad ver-
dreven had; dit gebod wordt door den
geschiedschrijver Suetonius vermeld. De
Romeinsche praetoren te Philippi namen
natuurlijk deel aan de vervolging, daar
zij eene «kolonie» even heilig achtten
als Rome zelf (zie vorige Les, Aant. 6 en
vers 21); en dit geeft eene verklaring voor
de willekeurige en WTeede behandeling
van Paulus en Silas.
3. Het Grieksche woord voor «geese-
len», in vers 22, beteekent in het bij-
zonder het slaan met de roeden van den
Uctor (Zie vorige Les, Aant. 6). Het gewone
vonnis (zooals Seneca dit vermeldt) werd
ongetwijfeld gegeven:
« Gaat, lictoren, ontdoet hen van hunne
kleederen, dat zij gegeeseld worden».
De lictoren maakten hunne fasces (bun-
•dels geeselroeden) los, en nadat zij de
lederen riemen hadden gebruikt om de
gevangenen te binden, sloegen zij hen met
de roeden. Paulus zinspeelt hierop en op
nog twee soortgelijke Romeinsche geese-
lingen (behalve de «striemen» der Joden),
in 2 Cor. XI : 25.
4. Men moet zich de Romeinsche ge-
vangenis geheel anders voorstellen dan
de tegenwoordige gevangenissen. De « bin-
nenste kerkers» (vers 24) waren vochtige,
koude plaatsen, waar de lucht verpest
was en volslagen duisternis heerschte (zie
Jer. XXXVHI : 6). Het woord «sprong
in » (vers 29) schijnt in het Grieksch een
neerspringen in eene onderaardsche cel
aan te duiden. De «stok» was zoo samen-
gesteld, dat de beenen naar willekeur
door den stokbewaarder van elkander ge-
trokken konden worden, waardoor eene
hevige marteling veroorzaakt werd.
In zulk een kerker werden Paulus en
Silas geworpen, om op zulk eene wijze
verzekerd te worden, terwijl zij nog de
hevigste pijnen leden van de wonden, die
de strenge geeseling (de vele slagen) hun
had toegebracht. Het huis van den stok-
bewaarder (vers 34) behoorde blijkbaar
bij de gevangenis.
5. De stokbewaarder wist, dat, wanneer
de gevangenen ontsnapten, een zekere dood
hem wachtte, zie XII : 19; van daar zijne
poging tot zelfmoord. Philippi is, zooals
Howson het uitdrukt, «beroemd in de
jaarboeken van den zelfmoord ». Brutus en
Cassius stierven daar beiden door hunne
eigen hand, na hunne beslissende neder-
laag in den slag van Philippi.
6. Het schijnt, alsof Timotheüs en Lukas
aan het lot van Paulus en Silas ontkwamen.
Laatstgenoemden werden misschien ge-
grepen, omdat zij als predikers meer op
den voorgrond traden. Lukas schijnt te
Philippi achtergelaten te zijn (vorige Les,
Aant. 2). maar Timotheüs vergezelde Pau-
lus en Silas denkelijk tot Thessalonika (Zie
XVII : 14).
7. Het blijkt duidelijk uit het verhaal,
dat Silas in denzelfden zin «een Romein»
was als Paulus. Zelfs al hadden zij dit
voorrecht niet gehad, was het toch on-
wettig hen te geeselen zonder verhoor;
maar door een «Romein» aldus te be-
handelen, maakte men zich schuldig aan
hoogverraad, dat gestraft werd met den