Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
460
XCVI. DE STOKllEWAARDER EN ZIJNE GEVANGENEN. 460
alleen gij — dat uw geheele gezin geloove
en het zal ook zalig worden».
Welk eene boodschap aan den ontstelden
stokbewaarder! Geloofde hij het? Wat ge-
voelde hij daarna ? vers 34.
III. De stokbewaarder na de
bekeering.
Zal hij deze boodschappers van God nu
vrij laten?
Dan zou hij zijne plichten verzaken, en
zij wenschen niet, dat hij het doet. Maar
ofschoon hij verplicht is «hen zekerlijk
te bewaren» (vers 23), is hij niet ver-
plicht hen te behandelen, zooals hij dat
gedaan heeft; wat doet hij dus? vers 33.
Misschien is er een put op de binnen-
plaats der gevangenis; zie, tweemaal wordt
dat water gebruikt, vers 33; hij wascht
hunne wonden — zij doopen hem en zijn
gezin. Dan brengt hij hen in zijne eigen
kamer — daar vinden zij eene plaats om
te rusten, en voedsel, vers 34 {Zie Aant. 4).
Wat doet dit nu zien in den stokbe-
waarder? Het toont aan, dat h\} waarlijk
bekeerd was. (a) Weest er zeker van, hij
had nog nooit gevangenen op die wijze
behandeld! Hij was dus een «nieuw
schepsel» (2 Cor. V : 17) en zijn geloof
«werkte door de liefde» (Gal. V : 6). (fc)
Hij, een Romeinsch ambtenaar, schaamde
zich niet door een discipel van dien Na-
zarener gedoopt te worden, die door een
Romeinsch ambtenaar werd gekruisigd.
Ook maakte hij volstrekt geene tegen-
werpingen tegen den doop, als eene on-
noodige zaak; hij zeide niet: «Gij zeidet,
dat ik zalig zou worden, indien ik geloofde
— ik geloof — waartoe dan deze plech-
tigheid?» Wat had Jezus gezegd? Zie
Isten tekst om te leeren. — «Diegeloofd
zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig
worden » — waarom dit ? Omdat het komen
tot den doop het bewijs is van het geloof;
indien de stokbewaarder waarlijk in Jezus
als den Heiland en Koning geloofde, zou
hij dan weigeren Hem openlijk te belijden,
door lid te worden Zijner Gemeente ? (2^^
tekst om te leeren).
Wat werd er van Paulus en Silas?
vers 35—40 {Zie Aant. 7).
Maar die groote vraag. — Hoe zouden
wij die nu beantwoorden? Wat moet
gij doen om zalig te worden?
«Bidden»? «Braaf zijn»? Dat moet gij;
toch zal noch «bidden», noch «braaf zijn»
u zalig maken. Zoudt ge uw geheele leven
«braaf» kunnen zijn zonder te zondigen?
Er is slechts één wijze, waarop wij
zalig kunnen worden (Hand. IV : 12) —
Christus neemt onze zonde en geeft ons
Zijne rechtvaardigheid — dan zijn wij
« gerechtvaardigd », dan wordt onze schuld
ons kwijtgescholden, wij worden geacht
en behandeld, alsof wij volmaakt goed
waren; zie Rom. III : 19—26; 2 Cor.
V : 21; Gal. IH : 10—13; Ef. I : 6, 7;
1 Petr. II : 24.
Maar wie kan aldus zalig worden?
(Voorbeeld, — Indien er een wonder-
baar geneesmiddel was, dat alle ziekten
genas, wie van de zieken zouden dan
beter worden?). Gij moet het middel ge-
bruiken. Hoe? Door te gelooven — niets
anders. Maar hoe te gelooven? Denk
niet aan het gelooven; maak u niet be-
kommerd over geloof; denk slechts aan
Christus — aan alles, wat Hij is en ge-
daan heeft; «zie» op Hem, evenals de
door slangen gebeten Israëlieten op de
koperen slang zagen (zie Jes. XLV : 22;
Joh. III : 14, 15); en dan zult gij gaan
gevoelen, dat alles waar is — dan zult
gij de zonde haten, dan zult gij Christus
liefhebben, dan zult gij bereid zijn Hem
met blijdschap te dienen — gij zult, even-
als de stokbewaarder, ondervinden, dat
gij «een nieuw schepsel» zijt.