Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XCVI. DE STOKllEWAARDER EN ZIJNE GEVANGENEN.
459
Denkelijk dacht hij : « Zulke menschen ver-
dienen geen medelijden — het is weer
juist iets voor de lastige Joden — altijd
bezig aan het een of ander kwaad — welk
eene gekheid, dat zij ons, Romeinen, den
«weg der zaligheid» (vers 17) zouden
leeren — een kerker is de beste plaats
voor zulke landloopers!»
Het is middernacht. Is er in die donkere
cel nog eenig geluid te vernemen? Indien
het klagen en zuchten is, dat men hoort —
wat wonder — maar wat is het? vers 25.
Lofliederen op zulk een oogenblik! —
Waarom? Zie Hand. V : 41; 1 Petr. IV:
13, 16; en gebeden — om wat? Misschien
een gebed als Ps. CXLIH: 7 (zie Ps. CII:
20, 21, CXLVl : 7); maar meer waar-
schynlijk als Hand. IV: 29. Zijn er luiste-
raars? vers 26 — hoe verwonderd! Maar
de stokbewaarder — hoort hij hen? (zie
vers 27) — hij slaapt vast — het is hem
hetzelfde of er geklaagd of gezongen wordt.
II. De bekeering van den stok-
bewaarder.
Maar er was dien nacht een «Bewaar-
der », die niet sliep, zie Ps. GXXI : 4. De
Heer waakte — had medelijden met Zijne
lijdende dienstknechten — en ook met den
armen Heidenschen stokbewaarder — was
Hij zelfs niet voor hem gestorven ? Ja,
en Hij wilde dien nacht voor altijd gedenk-
waardig maken; van dien stokbewaarder
moest in verre landen gelezen worden —
ja, op deze school — die wonderbare
geschiedenis moest vele zielen behouden.
Eensklaps geschiedt er eene aardbeving,
de dikke gevangenismuren wankelen, de
poorten vliegen open, de ketenen breken
af, vers 26. De stokbewaarder ontwaakt
nu; hij is ontsteld—waarom? Ongenade
en dood wachten hem, indien hij de ge
vangenen verliest — {zie Aant. 5) — hoe
zal hij daaraan ontkomen? Alleen door
zelfmoord! vers 27. Maar op dat oogen-
blik weerklinkt eene stem in de duisternis
— van wien? Wat zeide zij? vers28. Zie
hoe hij nu naar voren snelt — zijne
lamp verspreidt een flauw licht in de kerker-
gangen, vers 29 — dan valt hij op zijn
aangezicht voor diezelfde voeten, die hij
«in den stok verzekerd had»!
(.iWat moet ik doen, opdat ik zalig
worde? » — wat meent hij ? (a) De aardbe-
ving heeft hem herinnerd, dat er een groot
en machtig God is. (&) De zonden, die hij
bedreven heeft, komen hem voor den
geest; de wreedheden, die hij den ge-
vangenen heeft doen lijden, enz. — hij
gevoelt, dat God vertoornd op hem moet
zijn. (c) Hij is er van overtuigd, dat die
twee Joden dienstknechten Gods moeten
zijn — zeide de waarzeggende dienstmaagd
dit niet? — En hoe vriendelijk en kalm
hebben zij hem toegeroepen, zichzelven
geen leed te doen! — Zeker kunnen zij
hem den « weg der zaligheid» wijzen.
Wat is het antwoord van Paulus? Is
het: «Heb eerst berouw van uwe wreed-
heid tegen ons ? » Is het: «Breng ons
uit den kerker, geef ons te eten en eene
goede legerstede, dan zullen wij het u
zeggen?» Is het: «Er is geene zaligheid
voor menschen zooals gij?» Het is niet
noodig hem te zeggen, dat hij zondig is
— dat gevoelt hij — nu heeft hij behoefte
aan een Zaligmaker — hoe blijde zal
Paulus geweest zijn, dat hij hem Dien
kon verkondigen! Wat beteekent het ant-
woord? Het beteekent dit (en zonder
twijfel legde Paulus het zoo uit): — «God
heeft u lief, slecht als gij zijt — Hij heeft
Zijn Zoon gezonden om u zalig te maken
— Jezus, onze Meester, die ons naar
Philippi heeft gezonden, is voor uwe zonden
gestorven, weder opgestaan, is nu in den
Hemel, gereed om naar u te hooren en u
te helpen — geloof dit, en u is vergeven,
gij zijt gerechtvaardigd, zalig; en niet