Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
458
XCVI. DE STOKllEWAARDER EN ZIJNE GEVANGENEN. 458
■worden, en dus al de voorrechten van een Nederlander erlangt, zal een begrip
geven van het bijzondere «burgerschap» van Paulus en Silas.
Schets van de Les.
menschen hen voor &o/ic?gfeMoo(en houden
(verg. Mark. I : 25, 34, III : 11, 12).
Het smart hem ook het arme meisje aldus
te zien — hij zal haar van de slavernij
verlossen — hoe? vers 18. Maar wie zijn
nu «ontevreden»? vers 19 — de zelf-
zuchtige mannen dachten niet aan haar,
maar aan hunne winst!
Zie Paulus en Silas voor de hoofdmannen
{vorige Les, Aant. 6) — zullen zij een
eerlijk verhoor ondergaan? vers 20—22.
— Zij zijn Joden, dat is genoeg: geene
genade voor hen {zie Aant. 2) — zelfs de
oversten mishandelen hen — daarna wor-
den zij op wreede wijze met de roeden der
lictoren geslagen {zie Aant. 3) — «vele
slagen » (vers 23) daarna overgeleverd,
aan wien?
Maar deze stokbewaarder zal de eerst-
volgende bekeerde zijn. Zien wij heden
alles, wat ons van hem wordt verteld.
I. De stokbewaarder vóór zijne
bekeering.
Een hoedanige man zou men denken,
dat een Romeinsch stokbewaarder moest
zijn? Zeker streng en hardvochtig, gewoon
aan het martelen en mishandelen van de
dieven en roovers, die aan zijne hoede
zijn toevertrouwd, zonder medelijden voor
hun lijden. Zien wij dit in zijne behande-
ling van Paulus en Silas? Wat werd hem
geboden te doen? vers 23; wat deed hij
werkelijk? vers 24 — bewijst dit niet hoe
hardvochtig en onbarmhartig hij was?
Zie hoe hij ze grijpt, uitgeput en met
wonden bedekt als zij zijn na hunne geese-
ling, — hij «werpt» hen in den donkeren,
vochtigen, dompigen kerker, en om de
ellende te vergrooten, worden hunne voeten
stevig vastgemaakt, opdat zij zich niet
zullen kunnen bewegen {Zie Aant. 4).
Verleden Zondag spraken wij over de on-
wetende Heidenen in den tijd van Paulus.
Waar gingen zij heen, wanneer zij be-
zwaard van gemoed waren, behoefte hadden
aan troost of voorlichting? Zij hadden
geene predikanten. Christenvrienden of
Bijbels, die zij konden raadplegen; daarom
namen zij hunne toevlucht tot toovenaars
en waarzeggers, als Simon en Elymas
(Hand. VIII : 9—11, XHI : 6). {Zie Les
XCIV, Aant. 7). Zoo was het ook vroeger
geweest, zie Deut. XVIII : 9—14; Jes.
VIH : 19, XIX : 3; Jer. XXVH : 9. Zoo
is het nog heden: scharen van zulke be-
driegers zijn in alle Heidensche landen.
Wat is de oorzaak hiervan? Gedeeltelijk
de boosheid van den Satan, gedeeltelijk
de geldgierigheid der menschen. De Satan
ziet de bekommerde zielen verlangen naar
een licht op hun pad, en geeft dan een
dwaallicht. Slechte menschen zien, dat zij
gaarne iets betalen om meerdere kennis
te ontvangen. Zij geven voor, dat zij deze
mede kunnen deelen om geld te verdienen
(zie Num. XXII : 7; 2 Petr. II : 15;
Jud. 11).
Te Philippi zien wij beide, vers 16 (Zie
Aant. 1). (1) De Satan heeft een boozen
geest gegeven aan eene arme dienstmaagd,
doet haar vreemde dingen zeggen, opdat
de menschen zouden denken, dal zij eene
profetes is; (2) slechte menschen hebben
haar in dienst genomen, opdat zij hun door
haar waarzeggen voordeel verschaffe. Wat
zegt zij van Paulus en zijne metgezellen ? vs.
17. Zal Paulus zich niet verheugd hebben,
dat het volk aldus op hem gewezen werd?
zie vers 18 — <i ontevreden y> — waar-
om ? Hij is gezonden om tegen den Satan
te strijden — hij wil niets van diens zoo-
genaamde hulp weten — wil niet, dat de