Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XCVI. DE STOKllEWAARDER EN ZIJNE GEVANGENEN. 457
Les XCVI. — De stokbewaarder en zijne gevangenen.
« Wat moet ik doen^ opdat ik zalig worde?»
Te lezen — Hand. XVI ; 16—40.
Te leeren — Mark. XVI : 16; Rom. V : 1. (Gez. 38 : 3, 6. Ps. 121 : 1, 4).
Voor den Onderwijzer.
Wij kennen allen de antwoorden, die gewoonlijk door de kinderen der
Zondagschool gegeven worden op de vraag, die het motto voor de Les vormt
— (n Braaf zijn f> — s. Bidden y> — <.< Gelooveni). Voor zulke antwoorden is zeer
goed eene verontschuldiging te vinden; maar er is geene verontschuldiging
voor de wijze, waarop de meeste onderwijzers die ontvangen. Veronderstel,
dat het eerste geantwoord wordt — a Braaf zijn . Meer dan een onderwijzer zal
dan zeggen: «Ja, braaf zijn; en waar zult gij dan heengaan wanneer gij sterft? »
Iedereen kan zien, hoe verkeerd dit is. Maar er wordt geene betere uitkomst
verkregen, wanneer hij antwoordt: «Neen, dat is mis»; en indien, wanneer
de leerling het nog eens probeert en uitroept«Gelooven», hij toestemt en zegt:
«Dat is goed, gij moet gelooven», welk bepaald begrip krijgt de leerling dan?
De Schets toont in het kort aan, wat de rechte manier is om aan het ant-
woord van den leerling den waren zin te geven. De klasse leere inzien wat
«braaf zijn» beteekent. De onderwijzer toone den kinderen aan, hoe onmoge-
lijk het voor hen is «braaf» genoeg te zijn, om hunne zaligheid te verdienen,
— en niet door hun dit in woorden te zeggen, noch ook door een verwijzen
naar teksten, maar door een beroep op hunne dagelijksche ondervinding, zoo-
dat zij niet alleen het besef krijgen van de zondigheid van den mensch als
een leerstuk, maar gevoelen, dat het een feit is. Dan zal de weg open staan
om het volkomen werk van Christus in zijn volheid en eenvoud te ver-
klaren, omdat eerst de behoefte er aan duidelijk zal geworden zijn. En het
kan zijn, dat er waar «geloof» in het hart der scholieren gewekt zal worden,
zonder dat zij lastig gevallen zijn met de woorden «geloof» en «gelooven».
De nadruk moet niet gelegd worden op het gelooven, maar op Hem, in W^ien
wij moeten gelooven.
Een schoon landschap of schilderij zal men verklaren, niet door uit te wei-
den over het gezichtsvermogen, maar door stil te staan bij de schoonheden,
die het aanbiedt; en ofschoon de sterkte of de zwakte van ons gezicht invloed
kan uitoefenen op ons genot bij het zien, doet deze niets af aan de wezen-
lijkheid van datgene, waarop wij zien.
Men trachte verwarring te vermijden tusschen den werkelijken zin, waarin
de Philippische «praetoren», enz. «Romeinen» waren, en den enkel wettelijken
zin, waarin Paulus en Silas «Romeinen» waren: zie Aant. 7. De wijze, waarop
een in Nederland wonend vreemdeling een «genaturahzeerd» Nederlander kan