Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
456
xcv. AANHANGSEL OVER DE PROVINCIËN VAN KLEIN-AZIË.
In den brief aan de Philippensen schijnt
Paulus te zinspelen op hunne bijzondere
voorrechten als burgers eener Romeinsche
«kolonie». In i : 27 is « wandelt waardig-
lijk » letterlijk «vervult uwe plichten als
burgers»; en in III : 20 beteekent «onze
wandel» eigenlijk «ons burgerschap».
1. Het was natuurlijk, dat er in zulk
eene militaire stad als Philippi slechts weinig
Joden en geene Synagogen waren. Het
Grieksch van vers 13, 16 duidt aan, dat
er eene proseucha of «plaats des gebeds»
was. Deze waren algemeen, waar geene
Synagoge bestond. Zij waren slechts om-
heiningen in de open lucht, gewoonlijk aan
den oever eener rivier, wegens de gebrui-
kelijke afwasschingen.
8. Lydia wordt beschreven als eene
vrouw, «die God diende», de gewone uit-
drukking voor bekeerde Heidenen. Haar
geboortestad Thyatira lag in de provincie
Azië en was naderhand de zetel van een
der «zeven Gemeenten». Er zijn opschriften
gevonden, waarin melding wordt gemaakt
van een verversgild aldaar; en het «purper»,
waarin Lydia handel dreef (vers was
óf de verfstof, óf met purper gekleurde
stoffen. Dit is weder eene der door de
geschiedenis gestaafde feiten uit de Hande-
lingen.
9. Ofschoon wij niet met zekerheid
kunnen zeggen, dat tot Lydia's «huis»
ook kleine kinderen behoorden, is het
zeer onwaarschijnlijk, dat dezen noch in
haar, noch in des stokbewaarders huis
(vers 32—34), noch in dat van Stefanus
(1 Cor. l : 16) geweest zouden zijn;
dit is een indirecte bewijsgrond vóór den
kinderdoop.
AANHANGSEL XV. — DE PROVINCIËN VAN KLEIN-AZIË.
De oude verdeelingen van Klein-Aziê
zijn eenigszins verwarrend en maken eene
uitlegging noodig. In den tijd van Paulus
bevatte het schiereiland zeven Romeinsche
«provincies», nl. Azië, Bithynië, Pontus,
Cappadocië, Galatië. Pamfylië en Cilicië.
Alle andere namen behooren strikt geno-
men tot een vroeger tijdperk in de ge-
schiedenis. Sommige zijn geheel verouderd,
zooals lonië, Lydie, enz.; maar andere
werden nog veel gebezigd, zooals Frygië,
Pisidië, Lycaonië en Mysië — evenals
wij nog wel eens de namen der oude
provincies van Frankrijk gebruiken, of-
schoon dit land reeds lang in departe-
menten met andere namen verdeeld is;
Antiochië in Pisidië was dus waarschijn-
lijk in de provincie Galatië, ofschoon Pisi-
dië voor een gedeelte van de provincie
Pamfylië werd gerekend.
Op de meeste kaarten vindt men niets
van deze gewichtige onderscheidingen;
Pisidië wordt dus tot eene afzonderlijke
provincie gemaakt, tusschen Pamfylië
en Galatië, alsof deze drie namen alle
tot ééne categorie behoorden. Eveneens
is het met Frygië, dat werkelijk be-
sloten lag in de provincie Azië. In de
kaart wordt dit onderscheid nauwkeu-
rig in het oog gehouden en aange-
toond door verschillend gedrukte letters.
In de Handelingen worden gewoonlijk
de namen gegeven, die toenmaals alge-
meen gebruikt werden. In XVI lezen wij
b. v., dat Paulus en zijne metgezellen
«door Frygië en Galatië» gingen —waar
met «Galatië» bedoeld wordt, niet zoo-
zeer de Romeinsche provincie, als wel het
kleinere district, dat er deel van uitmaakte
en door Galatische kolonisten bevolkt was.
Maar aan den anderen kant beteekent het
woord « Azië » altijd de Romeinsche pro-
vincie, die zoo genoemd wordt, welke
ongeveer een derde van het schiereiland
besloeg, nl. het westelijk gedeelte, en
ongeveer evenzoo ten opzichte van het
grootere deel gelegen was, als Portugal
ten opzichte van Spanje; het bevatte ook
de oude districten Lydië, Karië, een deel
van Frygië, enz. De naam Klein-Aziê,
waaronder wij nu het geheele schiereiland
aanduiden, was bij de Ouden niet bekend.
De Romeinsche verdeelingen worden
ook nauwkeurig genoemd in 1 Petr. 1:1,
daar de brief gericht wordt aan de vreem-
delingen (nl. de Hellenisten of Joden der
Verstrooiing) in vijf der zeven provinciën:
«Pontus, Galatië, Capadocië, Azië en
Bithynië