Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
455 xcv. DE ROEPSTEM VAN DEN HEIDEN.

te leeren). Hij geeft het dus den menschen
in het hart om uit te gaan; want (2^6 tekst
om te leeren) «hoe zullen de Heidenen
«hooren», «gelooven», «Hem aanroepen»,
zonder «die hun predikt»? Maar zie de
volgende woorden — « Hoe zullen zij pre-
diken, indien zij niet grezonden worden? »
Wat doet gij om mede te helpen tot het
zenden van hen? Geef, evenals Lydia,
wat gij kunt; en doe ook, wat Christus u
gebiedt (l^te tekst om te leeren) — «Bidt
den Heer des oogtes, dat Hij arbeiders
in Zijnen oogst uitstoote».
Aanteekeningen.
1. De Schrift meldt ons niet op welke
wijze Paulus en zijne metgezellen Gods
aanwijzingen op hunne reis ontvingen.
Het kan geweest zijn door gezichten, zoo-
als dat van den «Macedonischen man»
te Troas, of door de profetische ingeving
van Silas (XV : 32), of door goddelijke
beschikkingen van welken aard ook.
2. Uit het meervoud «wi}'», dat in vers
10 voor de eerste maal gebruikt wordt,
blijkt, dat Lukas zich nu bij het kleine
gezelschap gevoegd heeft. Hij schijnt niet
verder gegaan te zijn dan Philippi, daar
het «wy» niet meer in de volgende hoofd-
stukken voorkomt, totdat wij aan XX : 5
komen; en de bezoeken van Paulus te
Thessalonika, Berea, Athene, Efeze en
Corinthe worden (niettegenstaande den
langen duur en het gewicht der twee laatste
in het bijzonder) in het geheel niet met
die uitvoerigheid beschreven, waarmede
Lukas de voorvallen te Philippi verhaalt, die
hij zelf heeft bijgewoond. Aan den anderen
kant wordt de reis naar Jeruzalem in
hoofdst. XX, XXI met de meeste bijzonder-
heden gegeven en gelijkt veel op een dag-
boek. Uit het feit, dat wij Lukas te Philippi
uit het oog verliezen, en hem weder op
dezelfde plaats ontmoeten (XX ; 6), zou
men kunnen opmaken, dat hij daar achter
werd gelaten als opziener der Gemeente.
Volgens het onderschrift van H Corinthe
zou die brief uit Philippi geschreven zijn
(en gezonden) door Titus en Lukas.
3. Zie over de verschillende provinciën,
in dit gedeelte vermeld. Aanhangsel XV,
hierachter.
4. Troas was eene stad, die, ter herin-
nering aan den Trojaanschen oorlog, 15
mijl ten zuiden van het oude Troje ge-
bouwd was. De geheele naam was «Alexan-
dria Troas», de eerste benaming werd er
aan toegevoegd ter eere van Alexander
den Grooten, die hier halt maakte op zijn
tocht tot verovering van het Oosten, en
zich luchtkasteelen bouwde, zich voorstel-
lende Achilles, den held dier plaats, te
zullen evenaren. In deze zelfde stad ver-
scheen nog een «Macedonische man»
aan Paulus; en van hieraf werd de groote
Apostel gezonden, om de machten van het
Westen te onderwerpen.
5. In vers 11 beteekenen de woorden
«liepen recht naar» letterlijk «zeilden voor
den wind» (den zuidenwind — zie de
kaart). Hoe gunstig de wind geweest moet
zijiT, blijkt uit het feit, dat zij den vol-
genden dag Neapolis, de haven van Philippi,
bereikten; dezelfde reis duurde bij eene
andere gelegenheid vijf dagen (XX ; 6).
6. Philippi wordt beschreven als eene
a koloniën, hetgeen wij ook door de Ro-
meinsche geschiedschrijvers en door mun-
ten weten.
Eene «kolonie» was eene nederzetting
of bezetting van Romeinsche soldaten en
burgers in een veroverd land, met het
doel om het Romeinsche gezag daar in
stand te houden en uit te breiden. Zulke
steden hadden bijzondere voorrechten, daar
zij, naar de woorden van een oud schrijver,
«eene afbeelding in het klein van Rome»
waren. Zij stonden geheel onder de Ro-
meinsche stedelijke wetten en werden
door bevelvoerders van het leger bestuurd
{practoren of duumviri, het laatste
beteekent, dat er twee te gelijk waren).
Romeinsche praetoren werden bijgestaan
door beambten, lictoren genaamd, die
elk een bundel geeselroeden droegen met
een bijl in het midden. Lukas gebruikt de
juiste Grieksche woorden voor praetoren
en lictoren — a-rpxniyot (strategoi) en
pccß^oüxoi {rhabdoucfioi), weergegeven door
« hoofdmannen » en « stadsdienaars »: een
treffend voorbeeld van zijne groote nauw-
keurigheid. Paulus en Silas werden met
de roeden der lictoren «gegeeseld». Zie
in de volgende Les de Aanteekening over
dit «geeselen».