Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XCV. DE ROEPSTEM "VAN DEN HEIDEN.
453
aanwijzing van God gekregen. Maar dien
nacht ontvangt hij er eene — hoe? vers 9.
Wie zond hem dit gezicht? Zien wij, wat
die bede beteekende: «Kom over en
help ons».
1. Zij beteekende, dat er groote be-
hoefte was aan hulp. Wie hadden er
behoefte aan? Alleen de inwoners van
Macedonië? Neen, die ééne man was een
vertegenwoordiger van de geheele Heiden-
wereld — God deed hem slechts als een
Macedoniër verschijnen, opdat Paulus
mocht weten, waar hij het eerst kon
gaan. Maar aan welke hulp had de Heiden
behoefte? Welke soort van menschen
roepen om hulp? Rijken? Machtigen?
Menschen, die weten wat hun te doen
staat en hoe zij het moeten doen? Na-
tuurlijk niet; toch waren de groote Hei-
densche volkeren rijk, machtig, geleerd,
zelfvoldaan. Maar zie Openb. Hl : 17 —
het kan schijnen alsof menschen «niets
behoeven», als zij werkelijk «ellendig en
jammerlijk, arm, blind,9 enz. zijn. (Voor-
beeld. — Een blinde kan rijk, sterk,
geleerd zijn en toch heeft hij hulp noodig)»
De Romeinen hadden geene behoefte aan
kracht, de Grieken hadden geene geleerd-
heid van noode, maar waaraan hadden
zij dan wel behoefte? (a) Aan kennis en
voorlichting, opdat zij zouden weten, welken
weg zij moesten gaan, om heilig en ge-
lukkig te zijn (Voorbeeld. — Een blinde
heeft behoefte aan eene hand, die hem
voorlleidt). (6) Hun hart en hun wil hadden
behoefte aan kracht om den weg te kunnen
gaan, dien zij moesten gaan; om te doen,
wat zij moesten éoen. (Voorbeeld. — Een
kreupele ziet zijn weg duidelijk genoeg
en toch kan hij zich niet bewegen, zooals
in Joh. V : 7).
2. Maar kenden zij hunne behoefte, im
wisten zij waar hulp te verkrijgen was?
Indien gij van stad tot stad gegaan waart,
al de vroolijke, onbezorgde menschen hadt
gezien, zoudt gij gezegd hebben: «Zy zien er
niet ongelukkig of bekommerd uit». Maar is
I het nu niet juist hetzelfde met ons? —
Toch weet gij, dat zij, die Christus niet
waarlijk liefhebben en dienen, niet waar-
achtig gelukkig zijn, en zij gevoelen het
ook somtijds. Zoo was het met hen. Zij
bekommerden zich vooral over den dood.
— «Wat is hij»? — «Blijven de zielen
der menschen voortleven na den dood?»
— «Waar zijn zij?» —Op al deze vragen
wisten zij geen antwoord. Gij hadt mis-
schien niet opgemerkt, dat de Heidenen
om hulp riepen, maar God merkte het
wel op. Tot Zij7ie ooren klimmen alle
zuchten en smeekingen ten allen tijde op
(zie Exod. H : 23, Hl : 7, 9; Jak. V: 4).
In Zijne oogen zijn alle Heidenen als blin-
den, die in het duister rondtasten; als
kreupelen, die zich niet kunnen bewegen;
als slaven, die door den Satan onderdrukt
worden; als hongerigen zonder voedsel;
als dorstigen zonder water. En zij wisten
niet, waar zij hulp konden verkrijgen —
(sommigen zochten hun heil bij toovenaars,
evenals de Samaritanen en Sergius Paulus,
VHI : 9, 10, XHI : 6, 7; wij zullen dit
aanstaanden Zondag weder zien). Dit zag
God ook — daarom zond Hij Paulus dat
gezicht.
n. De bede verhoord.
Dalen wij af naar de haven van Troas,
vroeg in den morgen na dit gezicht (zie
vers 10 <L terstond»). Schepen liggen aan
den kant — nemen lading in — matrozen,
lastdragers, kooplieden, enz. — allen zijn
druk bezig — er waait een gunstige zui-
denwind om uit te zeilen (Zie Aant. 5).
Hier zijn vier passagiers, die een schip
zoeken om naar Macedonië over te varen
— wie? Paulus, Silas, Timotheus, en wie
nog meer? Zie het «wij» in vers 10 —
wat beteekent dat? (/lant. 2), Weldra ver-