Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
452
xcv. DE ROEPSTEM VAN DEN HEIDEN.
Les XCV. — De roepstem van den Heiden.
« Kom over en help ons ».
Te lezen — Hand. XVI : 7—45.
Te leeren — Matth. IX : 36—38; Rora. X : 14, 15. (Ps. 96 : 2, 3; Gez. 245).
Voor den Onderwijzer.
Door het afzonderlijk nemen van deze weinige verzen wordt eene gelegen-
heid gegeven voor eene Les over de zending. Wij hebben het werk der zen-
delingen reeds als een aanval op het rijk van den Satan beschouwd (Les XCIV),
en gezien aan welke gevaren Paulus en Barnabas somtijds waren blootgesteld;
maar in deze Les zien wij op de Heidenen zelven en op hunne behoefte aan
het Evangelie.
Het zal den onderwijzers, die eenig belang stellen in de zending, niet moei-
lijk vallen eenige toelichtingen te geven uit het hedendaagsche arbeidsveld.
De ellende der Heidenen, hun vruchteloos zoeken naar bevrediging in hun
eigen Godsdienst, en de gretigheid, waarmede zij het Evangelie ontvangen,
kunnen uit eene menigte voorvallen in de geschiedenis der zending bewezen
worden.
Onderwijzers in steden, waar een garnizoen is, zullen eene toelichting bij
de hand hebben voor eene «kolonie» of standplaats voor militairen zooals
Philippi (Zie Aant. 6).
Schets van de Les.
In welk der vier werelddeelen — Europa,
Azië, Afrika. Amerika — zouden de meeste
Christenen zijn? Maar van waar kwam
het Christendom? Van Palestina in Azië;
ook van Antiochië en al de plaatsen, waar-
heen wij Paulus tot dusver gevolgd zijn.
Europa verkeerde toen geheel in Heiden-
sche duisternis. In het beschaafde Zuiden
werden Jupiter, Mars, Neptunus, enz. aan-
gebeden ; in het barbaarsche Noorden
diende men Wodan, Thor, enz. In ons
eigen land, in Britannië en in Gallië
(Frankrijk) werd de godsdienst der Druïden
gevolgd.
Maar God zag al deze duizenden Heide-
nen en had medelijden met hen; en nu
zal Hij ook daarheen Zijn Apostel zenden.
Zie vers 6 — Paulus heeft Galatië verlaten,
nu geheel hersteld — waar denken hij,
Silas en Timotheüs heen te gaan? Naar
«Azië» — niet het groote vasteland, dat
wij kennen, maar een klein deel er van,
dat zoo door de Romeinen genoemd werd,
en waarin de stad Efeze lag. Maar God
vergunt hun niet (zie Aant. 1) dien weg
links in te slaan, zij gaan dus rec/ifs naar
Bithynië (vers 7) — maar neen, ook
dien kant mogen zij niet uitgaan; zij
zetten dus hunnen tocht voort recht door
het land naar de zee toe (vers 8) — alsof
er aan beide zijden een wal was, — zij
hebben niets anders te doen dan voort
te gaan {Wijs de kaart). Waarom dit?
Omdat God wil, dat zij naar Europa over-
steken. Zie hoe Hij hunne schreden richt.
I. De bede om hulp.
Paulus is nu aan de zeekust gekomen,
hij richt zijne blikken naar al die machtige
rijken aan de overzijde — maar hij kan
niet voortgaan — hij heeft nog geene