Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XCIV. AANHANGSEL OVER PAULUS EERSTE ZENDINGSREIS.
451
eiland. Hunne verdere bestemming zou
als vanzelf zijn naar het een of ander
deel van het groote schiereiland, dat wij
nu Klein-Azië noemen; en daar Paulus
reeds eenigen tijd in Ciliciè (IX : 30, XI: 25)
had doorgebracht, richtten zij hunnen
tocht naar de volgende provincie, Pamfylië.
Het kon hun geen moeite kosten een
klein vaartuig te vinden, dat daarheen
voer, en na een gedeelte van de Middel-
landsche Zee overgestoken te zijn, dat in
de Oude Geschiedenis bekend is om twee
groote zeeslagen (tusschen de Grieken en
de Perzen, en tusschen de Romeinen en
Antiochus van Syrié), landden zij veilig
te Perge, aan de rivier de Cestrus.
Howson veronderstelt, dat zij omtrent
Maart Seleucië verlieten, daar dit de tijd
was, wanneer de zeevaart in die dagen
voor het gunstige seizoen geopend werd
(verg. XXVH : 12, XXVHI : 11); en dat
zij omtrent Mei te Perge aankwamen.
Indien dit het geval was, vonden zij slechts
de door de zon geblakerde straten, daar het
altijd de gewoonte is geweest, dat bijna
alle bewoners dier heete kusten des zomers
hun heil zochten in de bergen. Dit ver-
klaart misschien waarom Paulus en Bar-
nabas zich niet te Perge ophielden.
Het klimaat ondergaat eene snelle ver-
andering, naarmate de reiziger de groote
bergketen van den Taurus bestijgt. Den
eenen dag ziet hij het rijpende koren;
den volgenden dag is hij gestegen tot
eene hoogte, waar het niet meer dan een
duim boven den grond is. « Het hoogere
gedeelte van dit district is eene woeste,
rotsachtige streek; de rotsen staan dikwijls
alleen, zijn geheel kaal en van elkander
afgescheiden door valleien van zand,»
In de diepe bergengten snellen de brui-
sende stroomen voort, niet het geheele
jaar door, maar wanneer de regen of de
smeltende sneeuw de bedding met water
vult; dit plotselinge ontstaan van berg-
stroomen behoort tot de ernstigste gevaren,
waaraan de reiziger is blootgesteld. Deze
streek werd ook zeer door roovers bezocht;
de levenswijze der woeste bergstammen,
die gewoon waren door plundering en roof
in hun onderhoud te voorzien, wordt door
verscheidene oude schrijvers vermeld.
Nadat zij den Taurus overgestoken waren.
moesten Paulus en Barnabas spoedig in
het Pisidische Antiochië komen. Toen zij
van daar uitgedreven waren, veranderden
zij de richting hunner reis, en keerden
terug naar het zuid-oosten, denkelijk langs
den grooten weg, die dwars door Klein-
Azië van Efeze naar Cilicië en Syrië loopt,
en welke hen over uitgestrekte kale hoog-
vlakten naar Iconium voerde. Op deze
vlakten hebben ten allen tijde groote
kudden schapen geweid, die de markten
van Griekenland en Rome van wol voor-
zagen, welke zij nu nog aan de markten van
Groot-Britannië leveren. In dit opzicht en
in de schaarschheid van het water gelij-
ken deze Lycaonische vlakten op die van
Australië.
Nog eene bijzonderheid van het land is,
dat de bergen zich steil in kleine, maar
hooge massa's verheffen, evenals zoovele
rotsachtige eilanden, die uit de zee oprijzen.
Men veronderstelt, dat de stad Lystreaan
den voet van den merkwaardigsten dezer
eilandentoppen, den Kara-Dagh (Zwarten
Berg), gelegen heeft; en Derbe was waar-
schijnlijk een weinig meer oostelijk, waar
nu een dorp is, Divle genaamd.
Hier waren Paulus en Barnabas zeer
dicht bij de «Cilicische poorten» geko-
men, de beroemde tachtig mijlen lange
bergengte, in de keten van den Taurus,
een weinig ten noorden van Tarsus. Het
zoude hun gemakkelijk gevallen zijn door
dezen korten weg huiswaarts te keeren;
en dit feit, gepaard met de gevaren, die
zij op reis hadden geloopen, geeft een
treffend bewijs voor de zelfopofferende
toewijding, welke hen er toe bracht op
hunne schreden terug te gaan, achtereen-
volgens dezelfde steden te bezoeken, waaruit
zij verdreven waren (XIV : 21), en langs
denzelfden gevaarlijken weg naar Perge
terug te keeren. Howson oppert het denk-
beeld, dat zij tegen het einde van den herfst
in de Pamfylische vlakte afdaalden, en
daar zij toen Perge in het winterseizoen
bereikten, in die stad «het Woord pre-
dikten» (XIV : 25).
Zij scheepten zich niet in op dezelfde rivier,
welke zij bevaren hadden om Perge te
bereiken, maar gingen naar Attalië aan
de zeekust, en van daar zeilden zij af
naar Antiochië in Syrië (XIV : 26).