Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
26
VI. DE WIJZEN UIT HET OOSTEN. 26
als Magiërs, een benaming, die het eerst
aan de priesters in Medié en naderhand
aan alle geleerden van het Oosten gegeven
werd. Daar de Magiérs groote sterre-
wichelaars waren, werd hun naam spoedig
uitsluitend gegeven aan hen, die de sterre-
wichelarij beoefenden.
3. Men heeft berekend, dat er een (icon-
junctie» (d. i. een schijnbare toenadering)
van Saturnus en Jupiter in het zesde jaar
vóór Christus plaats heeft gehad, en som-
migen hebben op deze wijze een verklaring
willen geven van de ster, die de Wijzen
gezien hebben. Maar geen planeet kan
hun voor gegaan zijn tot aan de plaats
zelve; en wanneer men het verhaal
letterlijk opvat, moet men aannemen, dat
de meteoor op wtinderbaarlijke wijze ge-
zonden werd. De Magiérs hebben misschien
de verschijning van de ster op dat tijdstip,
met de geboorte van de Messias verbon-
den, doordat zij de profetie van Daniël,
die in Chaldea uitgesproken werd, kenden
(Dan. XI: 24—26), of door de overlevering
van Bileams woorden (die ook uit het
Oosten was), Num. XXIV : 17; of (door
de in Perzié en Babylonië wonende Joden)
uit de Messiaansche voorspellingen in het
algemeen. Eenige merkwaardige profe-
tieën komen voor in de heilige boeken van
Perzië, de Zend-Avesta. Zie ook Les 111.
Maar waarschijnlijk werd hun nog een
bijzondere openbaring gegeven, evenals
later (vers 12).
Wij moeten niet denken, dat de ster
den geheelen tijd scheen. Toen zij haar
zagen, gingen zij naar Jeruzalem, als de
plaats waar zij den «Koning der Joden»
meenden te vinden. Daarna, toen zij naar
Bethlehem vertrokken, verscheen de ster
weder.
4. De aanhaling van de overpriesters
is uit Micha V:1, volgens de vertaling der
Zeventigen, (verg. Joh. VH : 42.) «Vorsten
van Juda», vers 6. Het Hebreeuwsche
woord, in Micha gebruikt, kan zoowel
«vorsten» als «duizenden» beteekenen,
daar de vorsten oorspronkelijk over dui-
zenden regeerden.
5. De ontvangst van de Magiërs door de
priesters zoowel als door het volk, zal op het
eerste gezicht vreemd schijnen. Waarom j
zou «geheel Jeruzalem ontroerd zijn?»
en waarom liet men toe, dat de Magiérs
alleen den koning der Joden gingen
zoeken? Klaarblijkelijk werd er geen ge-
loof geslagen aan hunne wooHen. De
Joden deden in hun hart de trotsche vraag
van 1 Kon. XXH : 24. En toch zouden
zij «ontroerd» zijn bij do pdachte aan
een nieuwe verontschuldiging voor de
wreedheden van Herodes. De priesters
waren een voorbeeld van het welbekende
beeld — zij waren handwijzers aan den
weg, zij toonden de richting aan, maar
gingen niet.
6. Op schilderijen en andere afbeeldin-
gen ziet men gewoonlijk, dat de .Magiërs
het Kindeke Jezus in den stal bezoeken.
Dat dit (afgescheiden van de beschou-
wingen in Aant. I) een dwaling is, blijkt
duidelijk uit vors 11.
7. Zie aangaande het Oostersche ge-
bruik om geschenken mede te brengen.
Gen. XXXII : 13. XLIH : 11; 1 Sam.
X : 27; 1 Kon. X : 1, 2. De drie ge-
schenken kunnen zinnebeeldig opgevat
worden, het goud duidt dan de (ie Aowin/c-
lijke waardigheid aan van Jezus (zie Ps.
LXXH : 15, XXI : 2-4); de wierook
spreekt van Zijne goddelijke natuur, ddidiV
wierook algemeen alleen aan de godheid
werd aangeboden (zie Ex. XXX : 34—38);
de myrrhe herinnert, dat Hij waarlijk
een sterfelijk mensch is, daar zij bij het
balsemen der lijken gebruikt werd (zie
Joh. XIX : 33). Natuurlijk moeten wij
niet veronderstellen, dat de Magiërs deze
zinnebeelden op het oog hadden; zij brach-
ten eenvoudig de beste voortbrengselen
van hun land.