Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
447 XCIV. DE EERSTE ZENDINGSREIS. — DE STRIJD OM EENE ZIEL.
2oo is het ook nu. Zie de strijders — aan
den eenen kant Elynnas, aan den anderen
Barnabas en Paulus — de toovenaar strijdt
voor den Satan, de Apostelen strijden voor
Christus. Hetzelfde had plaats voor Pharao
tusschen Mozes en de toovenaars; Elia en
de priesters van Baal op den Karmel.
Maar waarom strijden zij? Om de ziel
van Sergius Paulus. En hoe strijden zij?
Barnabas en Paulus verkondigen de bUjde
boodschap der zaligheid — Elymas spreekt
hen tegen en belastert hen.
Zie de zegepraal. Zie hoe Paulus zijne
gestrenge blikken op den toovenaar ves-
tigt (vers 0); hoor zijne verpletterende
woorden. Hoe noemt hij hem? Niet bij
zijn eigen naam, Bar-Jezus (zoon van
Jezus), maar hetgeen hij werkelijk is, «kind
des duivels» (zie Matth. XIII : 38; Joh.
VIII : 44). Wat doet hij hem? Zie den
toovenaar met blindheid geslagen, de han-
den uitstrekkende, opdat iemand hem leide!
De tooverkracht, waarop hij zich zoo be-
roemd heeft, kan zijne oogen niet openen
(Zie Aant. 8).
Wat dunkt u nu van deze daad van
Saulus? Werd zij uit drift en wreedheid
bedreven? Niet uit drift, want — zie vers 9,
«vervuld met den Heiligen Geest». Niet
uit wreedheid; want — (a) de straf was
slechts «voor eenen tijd»; (&) zij behaalde
de overwinning en redde eene ziel, vers
12; (c) Elymas kan er toe gebracht worden
zich te bekeeren, en dan zoude er eene
andere ziel gered zijn.
Wij zullen nu nog zien aan welke ge-
varen deze van God gezonden mannen
dikwijls blootgesteld waren (hoofdst. XIV :
11—20).
Paulus bevindt zich nu onder geheel
andere menschen — Lystre is geen groote
stad — de bewoners zijn eenvoudige buiten-
lieden, die weinig vreemdelingen gezien
hebben, niets van eenigen anderen gods-
dienst dan van hun eigenen afweten —
Jupiter is hun groote God — zij plachten
zijn beeld te aanbidden, dat dicht bij de
stadspoort was geplaatst, vers 13. Hier is
geene Joodsche Synagoge, waar zij zouden
kunnen hooren van den waren God — mis-
schien slechts ééne half-Joodsche familie
(XVI : 1). Hier moet Paulus dus prediken
(evenals onze zendelingen dat doen) op
straat, op de marktpleinen, onder de boo-
men, overal.
Ziehier nu twee merkwaardige too-
neelen:
(1) Eene groote opschudding in de stad —
luid geroep — het nieuws wordt van mond
tot mond overgebracht. «De goden zijn
neergekomen!» Menigten volks komen
bijeen — (indien gij hoordet «er is een engel
in de naaste straat», hoe opgewonden zoudt
gij dan zijn!) — in het midden de
witgekleede, van messen voorziene pries-
ters, die vroolijk de met bloemen versierde
ossen voortleiden. Waartoe dient dat alles?
Een groote dankzegging 1 — Waarom?
De goede goden hebben een man bekwaam
gemaakt om te loopen, die het zijn ge-
heele leven nog niet heeft gedaan! —
Deze ossen worden dus ter hunner eer
geolferd. Lees nu vers 8—13. Wie had
dien kreupele genezen? Wie gingen de
Lystriërs aanbidden?
Was dit zeer slecht? Maar zij wisten
niet beter — bewonder hen liever — zij
hadden de begeerte om himnen goden te
behagen, zij waren bereid om hun het
beste te geven, dat zij hadden — wie onzer
heeft zooveel over voor onzen grooten
God en Vader? Gelijken wij niet meer op
de Joden in de dagen van Jesaja? Zie Jes.
XLIH : 22—24.
Maar zie! — Paulus en Barnabas snellen
naar hen toe — dit ontstelt hen meer
dan een der gevaren, waaraan zij tot nu