Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XCII. HET EVANGELIE VOOR DE HEIDENEN.
439
VI : 2; Ef. IV : 25—32, V : 1, 2; vooral
Col. III : -11—14, «noch Griek, noch
Jood.... Christus alles en in allen; zoo
doet dan aan.... barmhartigheid,» enz.
(Voorbeeld. — Eene schipbreuk — de be-
manning en de passagiers wordeji gered;
maar op een verlaten eiland — zulleyi
niet allen samenwerken en elkander
helpen? Allen zijn gelijkelijk gered —
zou de een zich boven den ander gaan
verheffen ?). Allen zijn wij hieraan gelijk —
hetzelfde gevaar, dezelfde verlossing —
daarom geen trots, geen liefdeloosheid,
geen zelfzucht meer.
Aanteekeningen.
1. Het groote gewicht, dat door Lukas
(en wij kunnen er bijvoegen, door den
Heiligen Geest, die Hem bezielde) aan de
toelating van Cornelius en zijne vrienden
tot de Gemeente wordt gehecht, blijkt uit
de uitvoerige wijze, waarop de gebeurtenis
beschreven wordt. Het gezicht van Corne-
lius wordt driemaal, en dat van Petrus
tweemaal verhaald, en elke bijzonderheid
met zorg gegeven. *
De gebeurtenis zelve toont aan, hoe God
tusschenbeide treedt, wanneer de tijd voor
de uitvoering Zijner raadsbesluiten gekomen
is. .Vlies was gereed voor de toelating der
Heidenen. De ruimere opvattingen van
Stefanus werden zeker gedeeld door velen
der bekeerde Hellenisten. De geloovigen,
die uit Jeruzalem gevlucht waren, predik-
ten reeds voor hen te Antiochië (IX :
l'J—21). Gods uitverkoren Heiden-apostel
had zijne opdracht ontvangen. Maar de
Twaalven en de Moederkerk te Jeruzalem
waren nog onvoorbereid voor hetgeen zou
komen; en eene onherstelbare scheuring
had het gevolg kunnen zijn. En, zooals Ne-
ander terecht opmerkt, « toen de Apostelen
behoefte hadden aan deze ruimere ont-
wikkeling hunner Christelijke kennis voor
de uitoefening hunner roeping, en het
gemis er van ten hoogste nadeelig zou
geweest zijn — op datzelfde oogenblik
werd, door een merkwaardig samentrelfen
van inwendige openbaring en uitwendige
omstandigheden, de tot nu toe ontbrekende
verlichting geschonken».
2. De roeping der Heidenen is een be-
langrijk punt in de profetieën van het Oude
Testament; zie b.v. Gen. XII : 3, XXH :
18; Ps. 11:8, LXVH, LXVIII: 32. LXXI:
32, LXXII : 8—11. XCVI : 3. 10; Jes.
H : 2, 3, XI : 10, XLIX: 6, 7, LX: 1-3;
Mal. 1 : 11.
Godvruchtige Joden verwachtten het.
Luk. H : 32; en de Apostelen zelven spra-
ken er van. Hand. II : 39. Christus had
er hun op duidelijke wijze van gesproken,
Matth. VHI : 11, XXIV : 14. XXVHI: 19;
Mark. XVI : 15; Luk. XXIV : 47; Hand.
I : 8. Maar zij hadden niet het minste ver-
moeden, dat de Heidenen evenzoo zouden
ontvangen worden als zij; zij dachten, dat
de besnijdenis nog steeds de voorwaarde
zou zijn voor een deelhebben aan het
verbond: zij verwachtten (om bij het beeld
te blijven), dat de deur wijd open gewor-
pen, maar niet de muur afgebroken zou
worden. Dit openbaarde God hun nu.
3. Zie over Joppe Les XC, Aant. 5.
Het «dak» was het in het Oosten zoo
algemeene platte dak, dat sinds onheug-
lijke tijden voor talrijke doeleinden ge-
bruikt werd, waarvan sommige zijn op
te maken uit Joz. II 6; Richt XV'l: 27;
1 Sam. IX : 25; 2 Sam. XI : 2; 2 Kon.
XXHI : 12; Neh. VHI : 17; Jes. XV : 3;
.Ier. XIX : 13, XLVIH : 38; Zef. 1:5;
Matth. X : 27.
4. Het gezicht, dat Petrus had, was van
anderen aard dan dat van Cornelius. Laatst-
; genoemde zag inderdaad een engel, die
werkelijk voor hem stond. Petrus had eene
«vertrekking van zinnen» en God deed
hem in eene soort van droom een groot
vat zien; de nederdaling van het vat had
niet werkelijk plaats. Misschien zal men
vragen, daar er zoowel reine als onreine
dieren in het vat waren, waarom Petrus
niet van de eerste wilde eten? Lev. XI :
24, 32 geeft ons het antwoord: het reine
werd verontreinigd door de aanraking met
het onreine: dus was alles onrein.
5. Vers 28 — «ongeoorloofd», enz.
Geen Goddelijk verbod was op zulk eene
strenge wijze gegeven. Maar onder den
invloed van het onderwijs der Rabbijnen
werd zulk eene uitsluiting algemeen en de
Farizeèn drongen er zeer op aan. Juve-
nalis zegt in zijne Satiren, dat «deJoden
alleen aan hunne geloofsgenooten den weg
wilden wijzen, en aan geen ander dan eenen