Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
VI. DE WIJZEN UIT HET OOSTEN.
25
dat in de armen zijner moeder ligt! Stel
u Maria's stille verwondering voor — bij
de komst van znik een gezelschap — bij
de aanbidding, die zij het kindeke bren-
gen — bij de kostbare geschenken, die
zij geven [Zie Aant. 7].
In deze menschen zien wij de
eerste Heidenen tot Chistus ge-
bracht. Hoe velen hebben Hem sedert
dien tijd gezien en aangebeden! Lees wat
God lang te voren daaromtrent gezegd
had, Ps. LXXH : 10, 11 ; Jes. LX: 6. Het
gebeurde naderhand dikwijls, dat Heidenen
het Evangelie ontvingen als de Joden
het verwierpen, zie Hand. XIII : 42—48,
XVIH : 4- 8, XXVIII: 25—29; verg. Matth.
VIII: 10. En zijn nu, in onze Heidensche
wereld, zij, die het meest van Christus
moesten weten. Hem het meest gehoor-
zaam"
gens,
en toch onverschillig blijven. Denk aan
de heidensche kinderen — sommigen in
het verre «Oosten» — die alles voor
Hem over hebben.
Kunnen wij aan deze Heidenen
gelijk zijn?
1. God geeft ons wat Hij aan hen gaf.
— Hij wijst ons den weg. — Hij
riep hen om te gaan — leidde hen op
den weg — beloonde hen met een goede
uitkomst. Zoo is het met ons. God wijst
ons waarheen wij gaan moeten in Zijn
Woord, dat het «licht op ons pad» is.
? Denk aan zoovele meisjes en jon-
die weten hoe lief Hij hen heeft.
Ps. CXIX: 105. De Bijbel roept ons om tot
Christus te gaan en wijst ons den weg;
indien wij dit Woord volgen, brengt het
ons tot Christus; het toont ons mi zijne
almacht en reddende liefde, en geeft ons
de gezegende verwachting van Zijne
tegenwoordigheid hiernamaals (Zie Joh.
V : 39; Jes. LV : 6, 7; Hand. XX : 21;
Matth. VI : 21; Rom. VHI: 31-39; Joh.
XVH : 24).
2. Geven wij God hetgeen zij Hem
geven'? — Vindt Hij bij ons ook toe-
wijding? (a) Zij begaven zich op weg.
Deden wij dit reeds om tot Jezus te gaan?
(b) Zij volhardden niettegenstaande de
moeilijkheden op hun wegen in hun eigen
hart. — Laat ons hetzelfde doen, Heb.
XII : 1; Luk. IX : 62. Laat ons, als het
noodig is, Christus alleen zoeken, zooals
zij (verg. Joh. VI: 68; 2 Tim. IV: 16,17).
(c) Zij volgden geen aanwijzingen van
menschen, niet hun eigen bedenkselen.
niets anders dan de ster. Herinneren wij
ons Ps. CXIX : 9; Spr. IV : 25. {d) Zij gaven
Christus het beste wat zij hadden. Mocht
het onze keuze zijn dit ook te doen
(Rom. XH : 1; 2 Sam. XXIV : 24).
3. Zullen wij hetzelfde vinden als zij f
Zij vonden minder dan zij verwachtten,
slechts öen arm kindeke. Indien wij
Christus vinden, zullen wij met de koningin
van Scheba zeggen (1 Kon. X : 7): «Zie
de helft is mij niet aangezegd!» Zie Fil.
IV : 7: 1 Cor. H : 9.
Aanteekeningen.
1. Het bezoek van de Wijzen moet na
de voorstelling in den tempel geplaatst
worden; want wij kunnen niet denken,
dat Jezus naar Jeruzalem gebracht werd,
juist toen Herodus Hem zocht te dooden,
en Maria zou zeker niet de offerande, die
aan de armen was voorgeschreven, ge-
bracht hebben, indien de geschenken der
Wijzen haar toen reeds gegeven waren.
Het zou schijnen alsof Jozef van plan ware
geweest in Bethlehem te wonen, zie Matth.
II : 22; en er zou slechts een dag toe
noodig geweest zijn om heen en weer
naar Jeruzalem te reizen. Het geheele
tweede hoofdstuk van Mattheus moet dus
eigenlijk in het midden van vers 39 van
Luk. II ingelascht worden, en er is niets
willekeurigs of onnatuurlijks aan, wanneer
men dit doet.
2. Het woord «Wijzen» is hetzelfde