Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
438
XCII. HET EVANGELIE VOOR DE HEIDENEN. 438
antwoord op de beschuldiging kwam hier-
op neer: «Ik kon het niet verhinderen;
ik deed het niet: de Heer deed het, en
het is even wondei-lijk (Ps. CXVIH : 23)
in mijne oogen, als in de uwe; wie was
ik (XI: 17), dat ik God konde weerstaan?»
Hoe toonde God aan Petrus, dat de
muur afgebroken was? Zie Petrus' ver-
haal, XI: 4—17; verg. X : 9—29, 44—48.
(a) Zie Petrus op het dak van het huis
des lederbereiders {zie Aant. 3) — een
schoon gezicht: aan eene zijde de tuinen,
die zich om Joppe uitstrekken; aan de
andere zijde de blauwe zee — maar Petrus
houdt zich niet bezig met het bewonderen
van dit tooneel — wat doet hij? Waar-
schijnlijk bidt hij om de uitbreiding van
het Evangelie — weinig dacht hij hoe
die bede vervuld zou worden. God zal het
hem toonen — zendt hem een gezicht.
Petrus is zeer hongerig — hij wacht op
voedsel. God biedt hem eenige spijzen aan
in een gezicht (Zie Aant. 4). Welke soor-
ten? Hij kan Gods Wet niet overtreden
(Zie teksten hierboven). Maar wat zegt
God nu? X : 15, XI : 9—«gereinigd»;
vroeger waren zij onrein, maar nu niet.
Wat beteekende dit? Denk eens na. —
Waarom werden de strenge wetten om-
trent het voedsel gemaakt? (boven) —zij
waren een deel van den muur». Indien
dan God deze wetten opheft. Zijn volk
laat eten wat zij willen (zie 1 Tim. IV :
4, 5), is dan niet de « muur» afgebroken,
de afscheiding weggenomen?
(b) Ziet Petrus dit in? Nog niet, X : 17;
en ofschoon het voedsel hem driemaal
aangeboden wordt, kan hij het niet aan-
nemen. Maar terwijl hij over het gezicht
nadenkt, komt er nog eene boodschap
van God, vers 19, 20. Gehoorzaamt hij
aan dit bevel? vers 21—23. Stel u voor,
hoe hij de reis onderreemt — dertig
mijlen langs de kust — steeds denkende
over dat vreemde gezicht en deze vreemde
boodschap. En eindelijk begrijpt hij ze;
want merk op wat hij zegt, wanneer hij
Cornelius' huis binnentreedt, vers 28 —
«God heeft mij getoond, dat ik geen
mensch zou gemeen of onrein heeten » ;
evenals de onreine dieren gereinigd waren,
zoo is alles nu rein; niets verboden; de
buitengesloten Heidenen mogen dus aan-
genomen worden, geen verschil meer. Is
dit zoo? Ja; en God toont het nu op eene
andere wijze, XI : 15, X : 44—46: op
deze onbesneden Heidenen wordt dezelfde
groote gave uitgestort als op Petrus en
zijne Joodsche broederen. Hoe kan men
hen nu nog mijden, verachten, hun den
doop onthouden? God heeft hen «gereinigd»,
hoe kunnen zij «gemeen» genoemd worden?
Maar al deze dingen toonden slechts, da^
de muur afgebroken was. Wanneer was
het gedaan en wie deed het? Zie
tekst om te leeren — aliij» — wie?
zie 13(ie vers (van Ef. II) — Christus
heeft den muur gebroken. Wanneer en
hoe? Zie IG^e vers (en Col. H : 20—22)—
door Zijn dood aan het kruis. Hoe kon
dit? Aldus: Allen, Joden en Heidenen, waren
even schuldig — daarom stierf Christus
voor allen, zonder onderscheid (Rom. III:
9, 19, 22, 23) — daarna kon noch besnij-
denis, noch iets anders eenig verschil
maken — zij, die in Jezus geloofden,
waren « allen één » (Rom. III : 29, 30;
Gal. IH : 26—29, V : 6, VI : 12—15;
Col. III : 11). Geen wonder, dat Paulus
zoo heerlijk kon spreken over de wijsheid
Gods en de liefde van Christus! — Rom.
XI : 32, 33; 2 Cor. V : 14.
Hoe moeten zij, die allen één zijn iti
Christus Jezus, zich dan jegens elkander
gedragen ? Zie deze zelfde Brieven, waaruit
wij dit alles leeren — hoe zij alle eindi-
gen. Zie Rom. XH : 9—16; Gal. V : 22,