Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XCII. HET EVANGELIE VOOR DE HEIDENEN.
437
eene afscheiding tusschen twee partijen
(als de tusschenmuren van huizen). Tus-
schen wie 9 De twee soorten van menschen,
die in de voorafgaande verzen genoemd
worden (vers 11, 12): de «Heidenen» en
«Israël». Heden zullen wij zien, wat die
« muur » tusschen hen was — wie hem
gebouwd had — waarom hij gebouwd
was — wanneer en waarom hij werd af-
gebroken.
I. De middelmuur des afscheid-
sels.
Ken muur, om Israël van al de andere
volkeren af te scheiden. Wie bouwde dien?
— d. w. z. wie scheidde hen af? Zie Lev.
XX : 24, 25.
1. Waarom scheidde God Israël van
al de andere volkeren af? De wereld was
van God afgedwaald; Gen. VI : 5, 11,12,
was even waar na als vóór den Zondvloed
(verg. Ps. XIV : 2, 3; Rom. 111:10—18).
Toen verkoos God zich Israël tot Zijn eigen
volk (Deut. VH : 6-8), om het op te
leiden tot Zijne kennis en liefde tot Hem,
om het te heiligen (Lev. XX : 26), om
het Zijn woord te geven (Rom. IH: 2) —
totdat de tijd voor de komst van Zijn Zoon
op aarde gekomen was. Maar waarom
scheidde Hij de Israëlieten van de andere
volkeren af? Opdat anderen het niet van
Hem af zouden trekken. De eenige wijze
om hen te beveiligen.
2. Hoe scheidde God hen af?
(a) Hij zond hun grooten voorvader
naar een «vreemd land», Hebr. XI : 9;
liet hen in Egypte verdrukking lijden, op-
dat zij nauwer verbonden zouden zijn; gaf
hun een eigen land.
(b) Stelde een teeken voor de afschei-
ding, opdat zij niet zouden vergeten, dat
deze bestond — de besnijdenis; Gen. XVH :
10,11; Hand. VII: 8; Exod. XII: 43—45,48.
(c) Verbood hun huwelijken te sluiten
met vreemdelingen, Deut. VH : 1—6.
(d) Gaf strenge voorschriften omtrent
het voedsel; wat zij wel mochten eten en
wat niet, Lev. XI; Deut. XIV. Dit opzette-
lijk om hen van de anderen af te zonderen,
Lev. XX : 25 («daarom », zie vers 24).
Deze dingen waren de muur of de
omheining om den tuin.
3. Hoe vo7iden zij het, aldus afgeschei-
den te zijn? In den tijd van het Oude
Testament waren er velen, die er zich
tegen verzetten — zij waren God onge-
hoorzaam, « zij vermengden zich met de
Heidenen en leerden derzelver werken»
(Ps. CVI : 35). Maar in den tijd van het
Nieuwe Testament was het juist het tegen-
overgestelde — zij waren er zeer trotsch
op (Rom. II : 17—20) — zagen neer op
alle anderen; zie Hand. XIH : 45, XXI :
28. XXII : 21, 22 {Zie Aant. 5).
En dit gevoelen bestond ook nog in de
eerste Gemeente. Ofschoon zij in Christus
geloofden, dachten en voelden zij nog als
Joden. Zij waren verheugd, wanneer de
Heidenen tot de Gemeenten toetraden,
maar eerst moesten zij de besnijdenis ont-
vangen, Joden worden, anders waren zij
niet geschikt; zie XV : 1, 5. Zij waren
bereid de deur te openen en hen in den
tuin te laten — niet om den muur af te
breken {zie boven de toelichting).
Maar op een zekeren dag wordt het in
Jeruzalem bekend, dat Petrus naar onbe-
sneden Heidenen is gegaan, bij hen is
gebleven, met hen heelt gegeten, hen heeft
gedoopt, hen heeft toegelaten tot de Ge-
meente zooals zij zijn! Geen wonder, dat
allen ontsteld en vertoornd zijn; geen
wonder, dat, toen Petrus van zijne rond-
reis terugkwam (IX : 32), zij — ? XI: 1—3.
Het was waar; de «muur» was afge-
broken. Zien wij nu hoe en waarom.
II. Het afbreken van den muur.
Had Petrus hem afgebroken? Hij niet;
hij was even verbaasd als de overigen. Zijn