Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XCII. HET EVANGELIE VOOR DE HEIDENEN.
435
uit, dat de openbaring, die hem door den
mond van Petrus geworden zou (verg.
XI : 14), het anfit'oord was op zijn gebed.
Zijn wensch was dus klaarblijkelijk naar
meer licht, naar meerder onderwijs. Hij
kon niet volstaan met hetgeen hij had;
hij gevoelde behoefte aan iets. hij wist
niet wat. En die behoefte kon alleen ver-
vuld worden door « het ééne noodige ».
4. In welken zin werd Cornelius «aan-
genomen»? In welken zin moeten wijde
woorden van Petrus in vers 35opvatten?
Niet in den zin, dat zijne gebeden en
goede daden op zichzelven verdienstelijk
waren voor God; niet. dat hij door zijn
rei'hlschapen en godvruchtig leven be-
houden zou worden. Indien dit zoo ware,
waarom moest Cornelius Petrus dan laten
roepen? De beteekenis is eenvoudig, dat
God allen wil aannemen (zonder eenige
uitwendige voorwaarde, zooals besnijdenis),
van welk volk ook, die Hem in oprecht-
heid zoeken.
5. De hulde, welke Cornelius aan Petrus
bewees, was niet enkel eene uitdrukking
van achting, hetgeen het geval zou ge-
weest zijn, indien een Oosterling haar
had gebracht. De Romeinen bogen zich
alleen voor hunne goden ter aarde; en
Cornelius behandelde Petrus als een
bovenaardsch wezen, hetgeen blijkt uit
het antwoord van laatstgenoemde. De
Romeinsche keizer had kort geleden aan-
spraak gemaakt op goddelijke eer, welke
hem ook bewezen was, en Cornelius
bracht dezelfde hulde aan Petrus, aU den
vertegenwoordiger van den Koning der
Koningen. Het antwoord van Petrus
drukt uit, dat geen mensch zoo behan-
deld moet worden. Alford merkt op, dat
zij, die er aanspraak op maken opvolgers
van Petrus te zijn, dit gedeelte van zijn
gedrag niet hebben nagevolgd.
6. De zinsbouw van vers 36—38 is eenigs-
zins ingewikkeld. De beste uitleggers ver-
klaren dit gedeelte aldus: — «Gij weet»
regeert al het overige. Drie zaken, zegt
Petrus, dat zij « wisten »: (a) « het woord »
(vers 36), d. i. de mededeeling of bood-
schap; (6) «de zaak», die geschied is
(vers 37); (c) «Jezus van Nazareth — hoe
God Hem trezalfd heeft > enz., of aldus:
« Gij weet Gods boodschap aan Israël —
nl. de zaak. welke in Judea geschied is
— nl. Jezus». Hij is het woord, Hij is
de zaak, waaruit het Evangelie bestaat
(Vaughan).
Hier ligt dus in besloten, dat zij wisten
wat met Jezus van Nazareth gebeurd
was; en dit kan gedeeltelijk den wensch
van Cornelius verklaren, om Goddelijk
onderricht en voorlichting te ontvangen
(Aant. 3).
Het overige gedeelte van Petrus* toe-
spraak kan vergeleken worden met zijne
redevoeringen te Jeruzalem (IL IH. V).
Het was overal dezelfde getuigenis: het
« Evangelie » bestond uit de feiten, welke
omtrent Christus te vermelden waren.
7. Vers 47. Petrus zegt hier: « Zij heb-
ben de inwendige en geestelijke genade
van den Doop ontvangen — nl. den Geest;
kan iemand verhinderen, dat hun het uit-
wendige en zichtbare leeken — het water—
wordt gegeven»? Uit dit gedeelte blijkt
duidelijk, dat de Heilige Geest zelf niet
door de heiligste Goddelijke instellingen
wordt gebonden; maar het toont ook het
gewicht zelfs van het uitwendige gedeelte
van den Doop; daar menschen, die in zulk
eene groote male de uitstorting van den
Geest hadden ontvangen, er zich niet aan
konden onttrekken. Het is verwatenheid
te zeggen: « Omdat de vorm niet alles is,
is de vorm niets».
Les XCII. — Het EvangeHe voor de Heidenen.
€ Dit is van den Heere geschied, en het is ivonderlijk in onze oogen
Te lezen — Gedeelte van Hand. X, XL
Te leeren — Rom. III : 29, 30; Ef. H ; 14, 17, 18. (Ps. 86 : 5; Ps. 66 : 1, 2).
Voor den Onderwijzer.
Kinderen zijn gewoon aan de verdeeling van het menschdom in Joden en