Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
434
XCI. DE GODVRUCHTIGE ROMEIN. 434
Zouden zij nu bereid zijn, om zich te
laten besnijden en Joden te worden?
Zonder twijfel zijn zij tot alles bereid.
Maar is het noodig? Neen — dit zullen
wij aanstaanden Zondag zien. Maar ofschoon
zij zich niet behoeven te voegen bij het
Joodsche volk, moeten zij leden worden
van de Gemeente van Christus. Hoe doen
zij dit? vers 47, 48. (Zie 2dea tekst om
te leeren).
Hoe wordt God genoemd in onzen
\isten tekst om te leeren?
(iEen zelfde Heer van allen . Dezelfde
Heer op alle plaatsen — in den Tempel
te Jeruzalem — op den woesten weg naar
Gaza (VIII : 26), in het huis van den
Heiden te Cesarea. Dezelfde Heer voor alle
menschen — de visschers van Bethsaida —
den geleerden Farizeër (IX : 11) — den
zwarten Moorman ~ den Romeinschen
soldaat. Is Hij dezelfde Heer ten allen
tijde? — nu zoowel als toen? Zie Mal.
Hl : 6; Jak. I : 17; Hebr. XHI : 8. Ja,
en ook nog op alle plaatsen — zelfs op
onze school, in uw huis; èn voor alle
menschen — God is geen «aannemer»
(vers 34) des persoons — rijken zijn Hem
niet méér aangenaam dan armen, ge-
leerden niet meer dan ongeleerden, ouden
dan jongen.
Maar wat wordt ons nu van dien «Heer
van allen» (vers 36) gezegd? Hij is rijk,
zie Ef. II : 4, 7; Hl : 16; Phil. IV : 19.
«Rijk» voor wie? Voor hen, die «Hem
aanroepen», zooals wij heden gezien heb-
ben. Zoudt gij eenen vriend niet rijk
achten, die tot u zeide: «Bid, en u zal
i geworden » ? Dat zegt God tot een iegelijk
onzer. Klimmen er ook gebeden van u op
tot eene «gedachtenis voor God»?
Aanteekeningen.
1. Het Cesarea der Handelingen moet
onderscheiden worden van Cesarea Philippi
(Matth. XVI : 13) aan den voet van den
berg Hermon. Het eerste, de Romeinsche
hoofdstad van Palestina, wordt somtijds
Cesarea Palestinae, of Marititna (over-
eenkomende met ons super mare), of
Stratonis (wegens den « toren van Strato »)
genoemd. Het werd door Herodes den
Grooten gebouwd, en ter eere van Caesar
Augustus aldus genoemd. Een groote dam
werd in de zee uitgebouwd en vormde een
haven. De overblijfselen van dezen dam,
evenals van de schouwburgen, tempels,
enz. bestaan nog, maar de plaats, waar
de stad gestaan heeft, is geheel verwoest.
Het is opmerkelijk, dat in de stad, waar
de «middelmuur des afscheidsels» tus-
schen Joden en Heidenen gebroken werd,
de woelingen en vijandelijkheden tusschen
de twee bevolkingen plaats hadden, die
eindelijk den laatsten oorlog en de ver-
woesting van Jeruzalem ten gevolge hadden.
2. Een «hoofdman over honderd» in
het Romeinsche leger was de bevelheb-
ber over een Centuria of Compagnie
voetvolk, waarvan het aantal verschilde
naar de grootte van het «legioen » (eene
Centuria was hiervan het zestigste ge-
deelte), maar gewoonlijk een honderdtal
soldaten bedroeg.
Men denkt, dat de « Italiaansche bende »
of cohorte een corps vrijwilligers is ge-
weest, enkel bestaande uit mannen, die
in Italië waren geboren. Er bestaat nog
een opschrift, waarin op zulk eene bende
schijnt gedoeld te worden.
De naam Cornelius duidt een bloedver-
wantschap aan met de groote familie der
Corneliërs, eene der edelste en aanzien-
lijkste in de Romeinsche geschiedenis. Hij
werd gedragen door de Scipio's, Sylla en
« de moeder der Gracchen ».
3. Het Grieksche woord voor «biddende»,
in vers 2. is niet hetzelfde, dat gewoon-
lijk gebruikt wordt. Het beteekent eerder
«smeekende», en met het woord «gedu-
riglijk » drukt het uit, dat Cornelius niet
alleen bad (hoe oprecht ook), omdat het
zijn plicht was dit te doen, en op de
«uren des gebeds», maar dat hij gedurig
zijn hart in smeekgebeden tot God ophief
om iets te vragen, dat hij vurig begeerde.
Wat was dat? De woorden van den en-
gel (zooals Cornelius die in vers 31 weer-
geeft) «Uw gebed is verhoord», drukken