Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XCI. DE GODVRUCHTIGE ROMEIN.
433
Romeinen, die Zijn uitverkoren volk onder-
drukken !)) Maar wat zegt onze eerste tekst
om te leeren? «Geen onderscheid — een
zelfde Heer van allen, rijk zijnde over allen,
die Hem aanroepen »; verg. Rom. III: 29.
Een engel wordt afgezonden — maar
tot wien ? niet tot de priesters en Schrift-
geleerden — ofschoon zij dikwijls genoeg ;
gebeden opzeiden, maar hoe? (teksten ;
hiervóór) — niet naar den Tempel te
Jeruzalem, maar naar het huis van den
Heidenschen krijgsman te Cesarea!
En wat zeide de engel van zijne ge- ;
beden? vers 4 — «eene gedachtenis voor i
God»; het waren gebeden van een on-
wetende — Cornelius was als iemand, die
in het donker verdwaald is, en licht moet
hebben — maar God, in Zijne oneindige j
liefde en ontferming, sloeg dien biddenden '
Romein gade — elk gebed, wanneer het !
opklom, werd in Gods «gedenkboek ge-
schreven» (Mal. IH : 16); en zie vier verzen '
verder (Mal. IV : 2) — die belofte werd
eindelijk vervuld — Cornelius behoefde
niet altijd in duisternis rond te tasten —
«de Zon der Gerechtigheid » zou voor hem
opgaan, want hij «vreesde den naam des !
Heeren». !
2. God zond hem de blijde boodschap
der Zaligheid. Stél u voor, hoe hij daar i
wacht, met zijne \Tienden om zich heen, '
verlangend om den man te zien, tot wien j
een engel hem had verwezen! — en om ,
zijne boodschap te hooren. Welke is deze? j
Is het «wordt besneden — dan zal God 1
u zalig maken»? Neen, Petrus zegt, dat j
allen God aangenaam zijn, vers 34, 35 |
{Zie Aant. 4). Wat dan? De woorden, -
die tot hem gesproken worden, handelen j
over dien Galileër, van wien (vers 37) |
hij gehoord heeft — (misschien door den |
hoofdman te Kapernaüm. Luk. VII: 1—10) i
— van wien men zeide, dat hij goed en i
vriendelijk was, maar die door Pilatus ,
(hun eigen opperhoofd) om oproer was
ter dood gebracht. En van welk belang
was dit voor hem ? zie vers 40—43: wel-
bekende woorden voor ons (niets anders
I dan de geloofsartikelen), maar hoe vreemd
! voor hen! — de gestorven Nazarener
! weder opgestaan, tot Rechter, Zaligmaker
van zondaren aangesteld, en (vers 36)
Heer over allen!
Kan Cornelius dat gelooven? — hij,
een Romeinsch officier, moet hij de ver-
geving zijner schulden aan een gekruisig-
den Jood te danken hebben! Moet het hem
en zijnen vrienden, evenals naderhand den
anderen Heidenen (1 Cor. I : 23), geene
«dwaasheid» dunken? Dat was zeer mo-
gelijk. Maar wat was er noodig om hen
te doen gelooven ? 1 Cor. XH : 3 — « Nie-
mand kan zeggen Jezus de Heere te zijn,
dan door» —?
Zie nu hetgeen daarop volgde: vers 44.
3. God gaf hem de gave van den
Heiligen Geest. Reeds langen tijd daar-
vóór had de Heilige Geest aan het hart
van den hoofdman gearbeid — van waar
anders die ernstige gebeden, dat god-'
vruchtig leven? En, terwijl Petrus sprak,
wat deed toen de Geest ? ( Voorbeeld. — Er
zijn twee dingen noodig om het daglicht
in eene donkere kamer te doen binnen
komen: (a) de zon moet schijnen^ (6) de
blinden moeten geopend zijn; geen van
de twee dingen is alleen genoeg — waar-
om?) Petrus bracht het licht van de Zon
der gerechtigheid — vertelde van Jezus;
maar dit was niet genoeg — de Geest
moest het hart openen, opdat het gezien
werd. Daarna heeft eensklaps iets won-
derbaars plaats — al deze Heidensche
krijgslieden worden evenals de discipelen
op den Pinksterdag {zie Les LXXXIV) met
vreugde vervuld en prijzen God in vreemde
talen voor de blijde boodschap van een
gekruisigden en opgestanen Zaligmaker!
- 28