Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
432
XCI. DE GODVRUCHTIGE ROMEIN. 432
Luk. VII : 8) — trotsch, dat hij tot een
leger behoorde, waarvoor tot nu toe elke
vijand had moeten zwichten.
Maar er was ééne zaak, waarin Cor-
nelius van de meeste andere Romeinen
verschilde — in zijn Godsdienst, vers 2.
Zeker was hij, evenals de anderen, opge-
voed in het geloof aan de Heidensche
godheden, Jupiter, Mercurius, Mars, enz.
— hij had in Rome tempels gezien, die
aau hen waren gewijd; menschen, die
hen aanbaden; priesters, die hun oßers
brachten; en, zooals vele anderen, was
hij er toe gekomen, om dit alles onzin
te achten. Maar daarbij bleven zij dan ook
— zij lieten hun ouden godsdienst varen,
zonder een nieuwen in de plaats te krij-
gen, — evenals Pilatus (Joh. XVII : 38)
dachten zij, dat niemand kon ontdekken
«wat waarheid is». Zoo was Cornelius
niet — welken God had hij geleerd te
aanbidden?
Eene vreemde zaak voor een Romeinsch
officier! Naar Judea gezonden om een
overwonnen land te bezetten, was het
zijn plicht deze lastige Joden te bewaken
en hen ten onder te houden — wel mocht
hij een afkeer hebben van dat volk, dat,
al was het onderworpen, hem en zijne
soldaten als «Heidensche honden» be-
schouwde. En toch heeft hij hunnen God
tot zijn God aangenomen.
Merk nu vier zaken omtrent hem op:
(а) Hij volbracht Gods wil voor zoover
hij dien kende. Wat kon hij er van weten?
Slechts wat de Joden hem hadden mede-
gedeeld. En wat was, volgens de strenge
Joden, de wijze om God te behagen? Zie
Luk. XVIUrll, 12; Matth. VI: 2, 5,16 —
drie zaken: aalmoezen, gebeden, vasten.
Welke dezer zaken narn hij in acht?
vers 2, 30.
(б) Hij had de ernstige begeerte, om
meer te weten. «Hij bad geduriglijk» —
1 hij « zeide i niet alleen « gebeden op » op
I gezette tijden, maar smeekte geduriglijk
' tot God {Zie Aant. 3) — Om wat9 Zie
; vers d{(Aant.3); klaarblijkelijk, dat God
I hem meer wilde leeren — evenals Elihu
! (Joh. XXXIV : 33). en David (Ps. XXV :
I 4, 5). Misschien gevoelde hij, hoe zondig
j hij was — hoe onwaardig al zijne aal-
moezen en zijn vasten waren — «zou
God ooit voldaan zijn?» Of, misschien
i werd hij twijfelmoedig, wanneer de Joden
hem zeiden, dat zij alleen Gods volk waren
— « moet ik werkelijk besneden, en een
Jood worden, tot zulk een veracht volk
behooren, om niet verloren te gaan?»
(c) Hij gehoorzaamde Gods voorschrif-
ten, om tot meerdere kennis te geraken.
Wie gaf hem deze voorschriften? vers 3.
Welke waren zij? vers 5,6. Hoe vreemd!
Niet onderwezen te worden door den
engel — niet de hulp in te moeten roe-
pen van de groote Rabbi's te Jeruzalem —
maar die van een «Simon», die bij een
anderen Simon, een lederbereider te Joppe,
woonde! Aarzelt hij echter? vers 7, 8.
En hoe gedraagt hij zich jegens dezen
Jood, die zooveel lager in stand is dan
hij? vers 25 {zie Aant. 5) — het is een
gezant van God — dat is voor hem genoeg.
{d) Hij riep zijne vrienden bijeen,
opdat ook zij de woorden van Simon
zouden hooren, vers 24, 27. Hij schaamt
zich niet, dat hij den God der Joden zoekt.
Hij begeert, dat andere Romeinen ook
van Hem hooren.
n. Hoe God den ijverigen zoe-
ker beloonde.
1. God hoorde zijne gébeden.lsd.i\.ioo
vreemd? Veronderstel, dat gij den hooge-
priester te Jeruzalem gevraagd kondet heb-
ben, of hij dacht of God het gebed van
den hoofdman zou hooren? «Hoe! God
luisteren naar een onwetenden Heidenschen
hond en nog wel een der vervloekte