Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
24
VI. DE WIJZEN UIT HET OOSTEN. 24
komst in Bethlehem [Zie Aant. 1] begon
dit vervuld te worden.
1. Laat ons naar een land gaan, ver
van Judea verwijderd, in het Oosten,
(waarschijnlijk) het land waar Nebukad-
nezar en Cyrus regeerden, waar Daniël
profeteerde, waar Esther koningin was.
Daar waren wijze en geleerde menschen
— die gaarne den loop der sterren be-
studeerden en daarin zeer ver waren (of-
schoon er toen geen telescopen waren).
Op een zekeren nacht zien zij een nieuwe
ster zeer helder, — wat kan dat betee-
kenen? Het was lang niet ongewoon, om
een bijzonder verschijnsel aan den sterren-
hemel in verband te brengen met de
geboorte van groote koningen. Dit is ge-
woonlijk een dwaling, maar was het dezen
keer waar? Wie zond deze ster? en wie
zeide aan de wijzen, dat Judea de plaats
was, waar zij den pasgeboren koning
moesten zoeken [Zie Aant. 3]?
2. Zullen zij die lange, vermoeiende
reis ondernemen? Ja, zij vertrekken da-
delijk. Stelt u hen voor, wanneer zij op
weg zijn — op hun kameelen gezeten —
achter hen weêr andere kameelen, die
hun schatten dragen — uitgestrekte woe-
stijnen trekken zij door, of waden door
snelle stroomen en bestijgen steile berg-
paden — geen vermoeienis, hitte, gevaar
van roovers houdt hen tegen — nooit
twijfelen zij aan God of vragen «waartoe
dient het?»
3. Eindelijk zijn zij te Jeruzalem [Lees
vers 1—8]. Een groote stoet komt de stad
binnen — vreemdelingen uit het verre
Oosten. Waarnaar vragen zij? (vers 2).
Wat zullen de Joden gedacht hebben? —
«Een geboren koning. — Herodes is onze
koning, een oud man op den rand des
grafs — zijne zonen zijn volwassen — wat
kunnen deze vreemdelingen bedoelen»
[Zie Aant» 5] ? Maar stel u nu voor, hoe
het den Wijzen te moede zal geweest zijn !
Zij zijn van zoo ver gekomen en nu weten
de Joden zeiven niets van een koning,
die in dat land geboren is — zeker was
het een vergeefsche reis — zeker hebben
zij zich vergist. Wacht — Koning Herodes
laat hen bij zich komen — hij vertelt
hun, wat de overpriesters en schriftge-
leerden hem daarvan gezegd hebben —
wanneer de Messias komt, moet Hij ge-
boren worden — waar? waarom? Wat
een goed koning schijnt Herodes te zijn! —
indien de Wijzen het koninklijke kind te
Bethlehem vinden, zal hij zich ook onder-
werpen aan den Gezalfde des Heeren. Wat
hij werkelijk dacht, zullen wij den vol-
genden Zondag zien.
4. Zullen de wijzen verder voortgaan?
W^aarom zouden zij dit doen? de Joden
zeiven weten er niets van, dat er een
koning geboren zou zijn, en al vertelt
men het hun, zij gelooven het niet, of
bekommeren er zich verder niet over —
waarom zou het hun, geen Joden, maar
vreemdelingen, gegeven zijn Hem te vin-
den? Maar zij zijn er zeker van, dat God
het was, die tot hen gesproken had —
zij zullen Hem gehoorzamen — en, zich
verwonderende dat er geen talrijke scharen
met hen medegaan, begeven zij zich weder
op weg — alleen [Lees vers 9—12]. En
God beloont hen — wat zien zij ? (vers
9) — nogmaals de ster [Zie Aant. 3]!
Stel u hun groote vreugde voor. En nu —
nog grooter verrassing — de ster «(gaat
hun voor» en leidt hen naar het huis
[Zie Aant. 6] waar Jezus is.
5. Wat zullen zij wel van het huis
gedacht hebben — van Jozef en Maria.
Deze de pasgeboren Koning! — niet in
een paleis — in de nederige woning van
een timmerman — is dat het einde van
hun reis! En toch, twijfelen zij? Zie, hoe
zij handelen ten opzichte van dat kind.