Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
428
XC. WONDEREN VAN GENADE.
LEVEN EN
begaven zich Petrus en Johannes? Hand.
VHI : 14, 15; en toen Saulus na zijne
bekeering te Jeruzalem kwam, hoe vele
Apostelen vond hij er toen? GaL I : 18,
19 — zonder twijfel waren de anderen de
verstrooide discipelen gaan opzoeken.
Heden zullen wij Petrus op een zijner
rondreizen zien.
Afdalende van de heuvelen naar de vlakte
bij de zee, van Jeruzalem naar het oude
land der Filistijnen [Zie Aant. 4). Van
de eene stad naar de andere, van dorp
tot dorp, overal de geloovigen opzoe-
kende. Hoe verheugd zal hij geweest zijn, ;
toen hij bevond, dat zij standvastig waren j
gebleven — ja, en ook niet traag waren: i
zij hadden «het Woord gepredikt« en nog :
anderen tot het geloof bekeerd! VIII : 5. |
En hoe blijde waren zij hem te zien!
Met welk eene vreugde komen zij te ,
zamen om zijne troostredenen en onder-
richtingen te hooren! Wat zoude hij hun^
wel zeggen? — Zie uit zijne brieven in
later jaren, 1 Petr. I : 6—9; H : 1—3,
20-23, IH : 14—17, IV: 12—19, V:10;
2 Petr. IH : 17, 18.
Maar zie nu welke zegeningen God aan
die streken zond door middel van Zijn
Apostel.
I. Gezondheid en leven voor
het lichaam.
1. Gezondheid — welk een zegen! Het
is zulk eene natuurlijke zaak voor jongens
en meisjes om sterk en gezond te zijn,
dat zij er niet aan denken hoe goed God
is hen dit te maken. Maar zie eens naar
een arm kreupel kind — dan zult gij het
bedenken. Hier is een zieke man te Ly lda —
hoe heet hij — wat scheelt hem? Hoe
lang is hij ziek geweest? vers 33. Het is
niet aangenaam gedurende eene week in
bed te zijn, maar stel uvoor: acht jaren!
Aan hem wordt de gave der gezondheid
geschonken. Wie genas hem?j Petrus?
Maar zie vers 34. Jezus genas vele « ge-
raakten» terwijl Hij op aarde was, Matth.
IV : 24, IX : 2—7; nu geneest Hij er
een uit den Hemel. Hoe waar is Mark,
XVI : 18, 20 — «Op kranken zullen zij
de handen leggen — de Heer zal mede-
werken » !
2. Is er voor het lichaam een grootere
zegen dan gezondheid? Ja, een — het
Leven; zie Job 11:4. Zien wij nu, aan wie
Petrus deze grootste gave bracht.
Te Joppe, aan de zee (waar Koning
Hiram's cederhout voor den Tempel aan
land werd gebracht, 2 Kron. II: 16; waar
Jona zich inscheepte, Jon. 1:3) (zie Aant.
5) — was de gemeente in groote droef-
heid gedompeld. Wie was gestorven?
Waarom werd zij zoo betreurd ? vers 36,
39 — «wat zouden zij doen zonder Dorcas?»
Bemind, evenals Job, door de armen, door
de weezen en weduwen (Job XXIX: 11 —
13). In hunne smart zenden zij eene bood-
schap aan Petrus en vragen hem te komen.
Wat kan hij doen? In alle geval kan hij
hen troosten — waarschijnlijk verwachten
zij niets anders. (Zien zij, die een verlies
hebben geleden, niet gaarne hun leeraar
tot hen komen, al kan hij geene wonderen
doen?)
Wat vindt Petrus? Een soortgelijk too-
neel als Jezus in het huis van Jaïrus had
gezien, Matth. IX : 23. Wat doet Petrus?
Eerst hetzelfde wat Jezus deed — hij
«dreef de schare uit» (zie Matth. IX: 24,
25). Daarna, geheel anders— «hij knielde
neder en bad» — waarom deed hij dit
en Elia (1 Kon. XVH : 20, 21) en Eliza
(2 Kon. IV : 33) en Jezus niet f Zie Hanó.
111:12—16. En daarna, nadat hij gebeden
had en geloofde in de belofte van Christus
(Mark. XI : 23, 24; Joh. XIV : 12-14),
doet hij weder hetzelfde wat Jezus gewoon
was te doen — zie zijne woorden, vers 40,
en zijne daad, vers 41; verg. Mark. V : 41.