Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LXXXIX. DE BEKEERINCt VAN PAULUS.
425
Aanteekeningen.
1. Paulus ging denkelijk op den leeftijd
van dertien jaar naar Jeruzalem; dan wer-
den Joodsche knapen « Zonen der wet»
en hadden recht op alle nationale voor-
rechten (Zie Les IX).
Gamaliël komt voor in Josephus (Antiq.
XX : 9, 4, 7) en den Talmud, als een der
grootste Joodsche rabbi's, en een van de
zeven, aan wie de bijzondere titel van
« Rabban » werd gegeven. Toen hij stierf,
kwam er, volgens de overlevering, een
einde aan de heerlijkheid der wet, en
reinheid van leer en Farizeïsme gingen te
niet. Hij was de zoon van Rabban Syrneon
en kleinzoon van den beroemden Hillel.
Zijn groote naam blijkt uit de toespeling
van Paulus in zijne toesprank aan de
volksmenigte (Hand. XXH : 3), op zijne
opvoeding « aan de voeten van Gamaliël » !
Hij was in dien tijd voorzitter van het
Sanhedrin. Het « zitten aan de voeten » van
den leeraar (Hand. XXH : 3) was de ge-
wone wijze, waarop de leerlingen luisterden;
verg. Luk. H : 4t5.
2. Op het eerste gezicht schijnt het
vreemd, dat de overpriesters Saulus macht
konden geven, om, in zulk eene verafge-
legen stad als Damascus, menschen gevan-
gen te nemen. Maar het Sanhedrin maakte
aanspraak op de uitoefening van een zeker
godsdienstig gezag over de Joden in alle
plaatsen, niet ongelijk aan dat van den
Paus in de middeleeuwen; en zoolang zij
binnen zekere perken bleven, bemoeiden
de Romeinsche bestuurders zich niet met
hen. Professor Porter zegt: « De politieke
toestand van de Joden te Damascus schijnt
in den tegen woord igen tijd ongeveer de-
zelfde te zijn als in de dagen van Paulus.
Ofschoon de Joden onderdanen van den
5ultan zijn, heeft de gemeente hare eigen
wetten, en de macht om hare leden tot
binnen zekere perken te oordeelen en te
straffen. Met alles, wat den Godsdienst be-
treft, bemoeit de Regeering zich niet. Ik
weet, dat er wel eens Joden geslagen en
gevangengenomen worden, omdat zij naar
Christenzendelingen hadden geluisterd ».
Maar in den tijd van de bekeering van
Saulus stond de stad Damascus niet onder
de Romeinen, maar behoorde zij aan Are
tas, den koning van Arabiê, en schoon-
vader van Herodes Antipas; en de stad-
houder, die onder hem was, «bezette de
stad» (2 Cor. XI : 32). Het i^ onzeker of
zij in zijne handen viel gedurende den
oorio? tusschen hem en Herodes {zie Les
XXXVHI, Aant. 2) — laatstgenoemde werd
toen geholpen door den Romeinschen stad-
houder van Syrië — of dat zij hem ge-
schonken werd door Keizer Caligula. Daar
de Joden echter in den oorlog de zijde
van Aretas hadden gekozen (zij beschouw-
den Herodes* volkomen nederlaag als een
oordeel, wegens den dood van Johannes
den Dooper), was het waarschijtilijk, dat
het Sanhedrin in dien tijd eerder meer
dan minder macht dan gewoonlijk over
de te Damascus gevestigde Joden had.
3. Damascus is waarschijnlijk de oudste
stad van de \^ereld. Zij bestond in de
dagen van Abraham (Gen. XIV : 15) en
is nog eene belangrijke plaats in den te-
genwoordigen tijd. De stail is beroemd om
de schoonheid harer ligging. Zij staat op eene
vlakte van buitengewone vruchtbaarheid
tusschen de bergketen \an den Anti-Liba-
non en de groote woestijn Alle reizigers
spreken met verrukking over het eerste
gezicht, dat men van Damascus heeft, wan-
neer men op een kleine hoogte staat, onge-
veer zeven mijlen van de stad (volgens de
overlevering de plaats van Saulus' bekee-
ring). Porter zegt: «Aan mijne voeten lag Da-
mascus, omgeven door zijne eeuwig groene
bosschen» zooals de dichter zegt: a Een
diamant in smaragden gezet n. De mor-
genzon bescheen de witte muren en
straalde neder van de glinsterende koe-
pels en de vergulde halve manen der
Minarets. Tuinen en boomgaarden, over-
vloeiende van vruchten van allerlei soort,
omgeven de stad, en strekken zich tot
ver over de vlakte uit.
4. De « straat genaamd de Rechte » ( Via
Recta) liep door de stad van het oosten
naar het westen, en was ongeveer eene
mijl lang. Aan de beide uiteinden was
eene driedubbele Romeinsche poort, die
nog voor een groot deel bestaat. De straat
werd door Corinthische zuilengangen in
drie groote afdeelingen verdeeld « en hare
geheele breedte was ongeveer 100 voet».
5. De afstand van Jeruzalem naar Da-
mascus is 140 mijl en Saulus moet vijf
of zes dagen noodig gehad hebben om
dien af te leggen. Het wordt voor zoo
goed als zeker aangenomen, dat hij te