Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
424
LXXXIX. DE BEKEERING VAN PAULUS. 424
Ja, Hij kan ze hooren; maar doet Hij het ?
Zie Gal. I : 11, 12, 15, 16 — het «Evan-
gelie» (Je blijde boodschap van schuldver-
geving door Jezus) wordt door den Heer
Zelf aan Zijn « uitverkoren vat» geopen-
baard.
Maar ofschoon Gods wonderbare liefde
hem aldus wordt getoond, heeft hij nog
geen antwoord op zijne vraag «wat hij
doen zal» (vers 6) — dat zal op eene
andere wijze komen. Zie hoe.
IV. De vervolger in den Naam
van Jezus gedoopt.
Een bezoeker komt in het huis van
Judas, in « de straat genaamd de Rechte »
(zie Aant. 4), hij vraagt naar den blinden
Farizeër — noemt hem « Saul, broeder».
Wie had dezen bezoeker gezonden? vers
10—12. Was hij dadelijk bereid om te
gaan? vers 17, 18. De oogen van SauPs
gemoed waren reeds geopend — zijne
ziel was « gekeerd van de duisternis tot
het licht» (XXVI : 18; 2 Cor. IV : 6;
Ef. I : 18) — nu worden ook de oogen
zijns lichaams geopend.
Daarna moet de « onberispelijke » Fari-
zeër hetzelfde doen, wat al de bekeer-
lingen gedaan hebben (II : 38, 41, VIII :
12, 38) — in den naam van .Tezus gedoopt
worden. Zeker een belangrijke stap —
wat beteekende het? zie XXII ; 16. Het
beteekende, (a) dat God tot Saulus zeide:
«Uwe zonden zijn u vergeven»; (b) dat
Saulus tot God zeide: «Ik doe van alles
afstand». Zie hoe Saulus er in later jaren
over dacht, Rom. VI : 2—4; hij achtte
het als den dood van zijn oude zondige
leven, als het begin van een nieuw leven
— zie het ll^e vers; «wel der zonde
dood, maar Gode levende in Christus Jezus,
onzen Heer». Verg. Gal. II : 20, III :26;
Col. H : 12, IH : 9, 10.
Dit is het eerste, dat God wil, dat « hij
doen zal». Maar nadat hij zichzelven
aan Christus overgegeven heeft, zal hij tot
anderen gezonden worden.
Wij hebben gelezen en gehoord van
vele wonderen, die door den Heer Jezus
gedaan zijn; maar is er één, dat hier-
mede gelijk staat? Moeten wij niet uit-
roepen : «Zou iets voor den Heer te
wonderlijk zijn9 »
Niets is zoo moeilijk, als het hart van
een zondaar te veranderen; zie .Ier. XHI:
23. En een hart als dat van Saulus! van
zulk een trotschen Farizeër, zulk een mee-
doogenloozen vervolger. Het is waar, hij
was niet wat men een « slecht mensch »
noemt; maar wat dat aangaat, is de ver-
andering nog moeilijker, Matth. XXI : 31.
Is de macht van Christus nu vermin-
derd? Dan kan Hij ook het meest ver-
harde hart in deze klasse veranderen.
Zelfs hij, van wien men het minst zou
denken, dat hij een ware dienstknecht
van Jezus werd, kan er een worden. Denk
hieraan — voor u zelven — voor anderen.
Hij kan — maar wil Hij? Zie den twee-
den tekst om te leeren. — De geschie-
denis van Saulus is ons tot « een voorbeeld o
gegeven — aan hem toonde de Heer
«lankmoedigheid,», opdat de slechtste
van ons niet aan Zijne liefde zou wan-
hopen. Hij zegt (Jes. I : 18): «AI waren
uwe zonden als scharlaken», enz.; wel
mogen wij tot Hem zeggen (Micha VII: 18):
« Wie i-i een God gelijk Gij, die de onge-
rechtigheid vergeeft?»
Maar is het noodig, dat gij als Saulus
bekeerd wordt? Ja, zeker — mits gij
Christus reeds toebehoort. Neem twee
proeven: — (a) Hebt gij uw wil aan Hem
overgegeven? Zijt gij gewoon tot Hem op
te zien en te zeggen: «Heer, wat wilt Gij,
dat ik doen zal ? » (b) Kan Hij op u neer-
zien en zeggen: «Zie, hij bidt»?