Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LXXXIX. DE BEKEERING VAN PAÜLÜS.
423
dacht hij, dat het een dergenen was, die
hij gedood had): hoor nu het antwoord,
dat hem met ontsteltenis vervult: nik ben
Jezus van Nazareth» (XXII : 8) — «Ik,
hier in eer en majesteit, ben diezelfde Naza-
rener, die werd veroordeeld en ter dood
gebracht!»
n. De vervolger geeft zich over
aan Christus.
Kunnen wij ons de plotselinge ontstel-
tenis in Paulus' gemoed voorstellen? Zie
hoe hij op den grond ligt, verblind en
zonder beweging — maar zijne gedachten
— hoe is het daarmede? (Voorbeeld.—
Een soldaat in den Amerikaanschen
Burgeroorlog wordt in het gevecht hand-
gemeen met een vijand, verkrijfjt de over-
hand, schiet hem dood, en ziet dan tot
zijn schrik en afgrijzen, dat het zijn eigen
broeder is!). In één oogenblik wordt het
hem duidelijk, dat zijn geheele leven eene
dwaling is geweest — de Messias is ge-
komen en hij strijdt tegen Hem!
Biedt hij nog wederstand? Hij heeft
lang «de verzenen opgeheven» tegen
Christus, vers 5 (zie Aant. 9); maar nu
— geeft hij zich dadelijk over op genade
of ongenade (Voorbeeld. — Als een sol-
daat, die plotseling door eene overweU
digende macht wordt omringd) — hoor,
wat hij met bevende stem zegt: «Heer,
wat wilt Gij, dat ik doen zal?» Welke
woorden van lippen — van den eigen-
gerechtigen Farizeêr, den vervolger van
het volk van Christus! Want wat betee-
kenen zij ?
(a) Dat Saulus erkent, dat Jezus de
Nazarener het recht heeft hem te bevelen.
Hetgeen hij jaren daarna schreef (Phil.
11 : 10, 11) was toen waar van hemzelf.
(b) Dat Saulus bereid is, om zich aan
alle bevelen te onderwerpen, welke Jezus
van Nazareth hem zal geven. Hij verlangt
niet meer « zijnen weg » (Jes. LHI : 6) te
gaan. Nog iets anders, dat hij naderhand
schreef (2 Cor. X : 5), begint nu voor
hem zeiven waar te zijn.
III. De vervolger bidt tot Chris-
tus.
Zie Saulus de poort van Damascus bin-
nengaan (zie Aant. 3), niet langer trotsch
en verbitterd, niet langer «moord blazende»
— een blind, verbrijzeld man, bij de hand
naar zijne woning geleid. Die drie dagen
daarna, vers 9 — zit hij in volslagen duis-
ternis, weigert alle voedsel — het gelaat
van Jezus staat hem voor den geest, de
stem van Jezus klinkt hem in de ooren.
Hoe kunnen wij ons eene voorstelling ma-
ken van zijn toestand? Misschien zal Job
XLH : 5, 6 ons helpen; verg. Ps. XXXH : 3
—5, XXXVIH : 4, 5, XL : 13, LI: 3—6;
Ezra IX : 6; zijne «ongerechtigheden
te zwaar» voor hem — zijne « zonde steeds
voor hem » — zijn «hart heeft hem ver-
laten » — dej'gedachte er aan is smarte-
lijk, de last ondraaglijk — zelfs op hoogen
ouderdom noemde hij zich « de voornaam-
ste der zondaren» (1 Tim. I : 15) — wat
moet hij die drie vreeselijke dagen en
nachten gevoeld hebben!
Maar wat doet hij? Zie vers 11 — «zie,
hij bidt». Waarom « zie » ? Had hij vroeger
niet dikwijls gebeden? Ja, maar hoe? Zie
Matth. VI : 5; Luk. XVHI : 11, XX : 47.
Nu «bidt, zoekt, klopt» hij (zie Luk. XI:
5—10; XVHI: 1—7), «sterk tot God roe-
pende», als de Ninivieten (Jon. Hl); hij
« riep tot den Heer den ganschen nacht»
evenals Samuel (1 Sam. XV : 11). De
vervolgende Farizeêr bidt tot Jezus den
Nazarener!
Kan de Nazarener, de gestorven en
begraven misdadiger, deze kreten van bitter
berouw hooren? Ja zeker, Hij is nu ver-
hoogd — om wat te zijn? — om wat te
geven? Zie Hand. V : 31 ; verg. Rom.
VIII : 34; Hebr. VH : 25; 1 Joh. 11:1,2.