Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
422
LXXXIX. DE BEKEERING VAN PAULUS. 422
Timotheus (2 Tim. III : 15); want zie het
gebod, Deut. VI : 7, XI : 19 (verg. Ps.
LXXVIII : 4-8); hij hoorde dan diezelfde
geschiedenissen, die wij gehoord hebben,
van Jozef, Samuel, enz.; ging naar de
school der Synagoge, waar al de Joodsche
knapen heengingen, ook leerde hij een
ambacht — welk? Hand. XVII : 3.
Toen hij grooter was, werd Saulus naar
de Heilige Stad gezonden — om verder
opgevoed te worden (als het gaan naar
de academie) — een Farizeër zou nooit
zijn zoon onder Heidenen laten opgroeien,
indien hij het verhinderen kon. Zeer waar-
schijnlijk was hij toen dertien jaar. Daar,
in den Tempel, zat hij aan de voeten van
doctoren in de rechtsgeleerdheid, «hen hoo-
rende en ondervragende», evenals Jezus
(Luk. II : 46) — in het bijzonder bij één
voornamen Rabbi, zie Hand. XXII: 3. Hij
was zeer knap — maakte sneller vorde-
ringen dan anderen, Gal. I : 14 (verg.
Hand. XXVI : 24).
Gedurende eenige jaren hooren wij niets
van hem — waarschijnlijk was hij te Tarsen
— maar kort daarop weder te Jeruzalem.
Aan zulk een ijverig en kundig man, die
spoedig zitting nam in den Raad, vertrouwd
werd door de overpriesters, werd volmacht
gegeven om menschen gevangen te nemen
(XXII: 5, XXVT:10> — welke menschen?
Waarom vervolgde hij hen zoo? — XXVI:
9 — hij was er geheel van vervuld —
«blazende dreiging en moord», en toch
dacht hij dien geheelen tijd, dat hij «Gode
eenen dienst deed» (Joh. XVI ; 2).
Nu is hij op eene langere reis — waar-
heen? (zie Aant. 5) — met welk doel?
Vanwaar zijne volmacht? zie vers 2, XXII:
5, XXVI : 12 (Zie Aant. 2). Stel u voor
hoe hij met haast voortreist, bedenkende
hoe hij spoedig denzelfden weg terug zal
gaan, gevolgd door een sleep van gevan-
genen. Zal dit gebeuren? Hij zal zelf als
een gevangene terugkomen — ofeigenlijk
is hij nu een gevangene, en zal hij vrij
terugkomen (zie Joh. VIH : 34, 36; Gal.
IV : 3-7; Rom. VH : 24, VHI: 2,15,21).
Want wie is deze vervolger ? Welke
bedoelingen heeft God met hem? —«een
uitverkoren vat», IX : 15. Heden zullen
wij zien, hoe de groote verandering tot
stand kwam.
I. De vervolger wordt door
Christus ontmoet.
Heeft Saulus ooit van Jezus gehoord ?
Zonder twijfel heeft hij alles gehoord oïn-
trent dien lastigen Galileër, die de priesters
en Schriftgeleerden placht te beschimpen
en het volk tegen hen opzette — die zoo
terecht door den Raad was veroordeeld
en door Pilatus ter dood gebracht! Welnu,
het zijn Zyne volgelingen, die Saulus zoekt
— « misleide menschen, die werkelijk den-
ken, dat die Nazarener de Messias was,
en zeggen, dat Hij uit het graf opstond »t
Maar ziet, terwijl Saulus voortreist,
I wie treedt hem eensklaps te gemoet? Die-
j zelfde Jezus van Nazareth ï Zie hoe, vers
, 3—5, XXH : 6—9, XXVI: 13—15 (beschrijf
I het tooneel).
(a) Wat SatUus zag. Een licht, helder-
der dan de middagzon! XXVI: 13; verg.
Openb. I : 16; 1 Tim. VI : 16. Maar was
I dit alles wat hij zag? vers 17; 1 Cor. IX:
! 1, XV : 8 — hij zag Jezus Zelf ~ den
Gekruiste in Goddelijke heerlijkheid! (Zie
Aant. 10). Hij aanschouwde datzelfde ge-
zicht, waarvan de beschrijving van de lippen
van Stefanus hem zoo godslasterlijk had
geschenen (VH : 55—58).
(b) Wat Saulus hoorde, vers 4. Bedenk
wat deze woorden beteekenden: « Wat ver-
volgt gij Mij, uwen Heer, uwen Heiland,
uwen Vriend?» Hoe kon hij Christus ver-
volgen, die in den Hemel was? Zie Jes.
LXHï : 9; Zach. II : 8; Matth. XXV: 40.
Maar Saulus begreep het niet (misschien