Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
420 LXXXVIII. DE PREDIKING VAN HET WOORD AAN DEN KAMERLING.
bod van den Apostel in Hebr. XIII: 17 —
dan zult gij ook «uw weg met blijdschap
gaan». Zie wat gezegd wordt van hen,
die niet onderwezen willen worden en de
stem hunner onderwijzers niet gehoor-
zamen, Spr. V : 6—13.
Aanteekeningen.
1. « Moorenland » is in de Schrift een
algemeene naam voor de landen ten
zuiden van Egypte, en bevat het tegen-
woordige Nubië, Sennar en Noordelijk
Abessinië. Deze lai den maakten in de tijden
van het Nieuwe Testament een machtig
rijk uit, geregeerd door een inheemsch
stamhuis van vrouwen, die den officiëelen
titel van Candace voerden (welke, evenals
Pharao, geen persoonsnaam is) en waar-
van de hoofdstad Meroé was. Eene dezer
koninginnen bood met goed gevolg weer-
stand aan een Romeinschen inval.
De «woeste weg», dien Filippus moest
gaan, was waarschijnlijk die, welke langs
Hebron over de kale heuvelen van zui-
delijk Juda voerde; op de groote steenen,
welke de Romeinen er legden, zijn nog de
sporen van wagenwielen te zien. Er is een
bron op eenigen afstand ten noorden van
Hebron, welke in den tijd van Hieronymus
algemeen beschouwd werd als de plaats van
den doop des kamerlings, — eene over-
levering, die door verscheidene deskundi-
gen voor waar wordt erkend.
3. De Schrift zegt ons, dat Filippus den
kamerling hoorde lezen. Oosterlingen
lazen gewoonlijk hardop, wanneer zij reis-
den, al waren zij alleen.
De vorm van Filippus' vraag in het
Grieksch doet een ontkennend antwoord
veronderstellen: «Gij verstaat immers niet
wat gij leest»?
4. Het gedeelte van Jesaja is aange-
haald uit de vertaling der Zeventigen,
welke een weinig verschilt met de He-
breeuwsche: vandaar de afwijkingen, welke
men zal ontdekken bij vergelijking van
de profetie met de aanhaling alhier. De
woorden worden ook verschillend uitge-
legd. Volgens de voornaamste Hebreeuw-
sche taalgeleerden beteekenen de twee
eerste zinsneden van Jes. LHI: 8 eigentijk:
«Zonder gevangenis en oordeel werd Hij
weggeleid» (d. w. z. Zijn dood was haastig
en onwettig) en «Wie van Zijn geslacht
heeft het geacht?» (d. w. z. zij waren
onverschillig).
5. De boeken van het Oude Testament
werden door de Joden in afdeelingen ver-
deeld, en de afdeeling van Jesaja, welke
bij hoofdst. LHI begint, bevat ook hoofdst.
LVl; vers 3—7 hiervan moest van bijzonder
belang zijn voor den Ethiopiër juist na
zijne lange reis naar het «bedehuis voor
alle volken». Sommigen denken, omdat
dit het aangewezen gedeelte is voor het
Loofhuttenfeest, dat de kamerling naar
dit feest was opgegaan.
6. Vers 37 wordt door de meeste Schrift-
uitleggers als een invoegsel beschouwd,
daar het niet voorkomt in de vroegste
handschriften. Zulk een vraag en antwoord
waren later in de Kerk gebruikelijk bij
den doop, en het is zeer wel mogelijk, dat
zij er eerst bijwijze van kantteekening
naast geschreven werden, en naderhand
bij vergissing tusschen den tekst gevoegd.
Natuurlijk is het niet raadzaam zulke zaken
bij het onderwijs te vermelden, maar het
zou niet goed zijn eene bijzondere les af
te leiden uit dit vers, op grond, dat Filippus
en de kamerling deze woorden spraken.
Toch is de waarheid, welke in de woorden
vervat is, belangrijk genoeg, om, zooals in
de Schets gedaan wordt, meer indirect
gebruikt te worden.
De bekeering van den kamerling kan
een belangrijk historisch feit zijn geweest
met het oog op de gevolgen, indien zij
aanleiding gaf tot de stichting der Abessi-
nische Kerk. Maar zij schijnt hoofdzakelijk
verhaald te worden als een teeken en pand
van Gods genadige bedoelingen ten op-
zichte van de verre Heidenen —zelfs die,
welke buiten de grenzen van het Romein-
sche Rijk woonden.