Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
418 LXXXVIII. DE PREDIKING VAN HET WOORD AAN DEN KAMERLING.
Welken indruk had hij van zijn bezoek?
Dat wordt ons niet gezegd, maar het
schijnt, dat hij niet voldaan terugging (stel
vers 31 tegenover vers 39). En was het
te verwachten, dat de zelfzuchtige pries-
ters en trotsche Farizeën zijn hart met
blijdschap zouden vervullen? Misschien
even teleurgesteld als bekeerde Heidenen,
die nu in Christenlanden komen en zoo-
veel boosheid en misdaad vinden in plaats
van liefde tot Jezus.
Maar God liet hem niet aldus aan zich-
zelven over. Hij gaf hem twee middelen,
waardoor zijn geest tot meerdere kennis
kon komen, zijn gemoed met blijdschap
vervuld zoude worden:
I. Het geschreven woord. Zie
den Ethiopiër op zijn terugweg. Hij zit
op zijn wagen — een der slaven ment —
de anderen leiden de kameelen — som-
migen loopen vooruit om «den weg te
bereiden » — gewapende mannen vormen
de achterhoede om hem te beschermen —
te zamen een groote optocht van reizigers
langs de kronkelende en rotsachtige paden
van Judea (beschrijf verder). \Vat doet
de voorname man? — Hij had kunnen
nadenken over al zijne reisavonturen, of
over zijne zaken thuis — neen — wat
dan? vers 28.
Deze wonderbare oude boeken der He-
breen — hij wenscht er meer van te weten,
meer van den grooten God, die ze gege-
ven heeft, vooral meer van dien Koning,
die komen zal, en van wien hij zooveel
gehoord heeft. Zie wat hij leest, vers 32,
33. Het is Jes. LIII, zie vei^s 6 — «Wij
dwaalden allen als schapen », enz. — zon-
der twijfel gevoelt hij, hoe waar dat is;
hoe hij dikwijls «zijn eigen weg is ge-
gaan in plaats van Gods weg.» En wat volgt
er dan? — «De Heer heeft op Hem doen
aanloopen», enz. — op wien? hij weet
het niet — gevoelt, dat het eene wonderbare
boodschap van God is, maar begrijpt het
toch niet. Dan vers 7 — die Onbekende,
die «ter slachting geleid werd», en toch
geduldig was als een lam — wie kan dat
zijn? Voor den Ethiopiër is alles duister.
\Vaarom ging hij dan voort met lezen?
Hij gevoelde, dat er een verborgen zin in
moest zijn. En er tüos licht in de vreemde
Grieksche letterteekens op de rol voor
hem. Wat konden deze heilige woorden
doen? — Zie den tweeden tekst om te
leeren — «de ziel bekeeren », «den slech-
ten wijsheid geven », « de oogen verlich-
ten », «het hart verblijden» (verg. Jak.
I : 21; 2 Tim. IH : 15—17). Wij zullen
zien. hoe zij dit aanstonds deden.
II. Het levende woord.
Eene stem roept tot hem — de Ethio-
piër ontstelt — welk eene plotselinge,
onbeleefde vraag, vers 30. Welk recht
had de vreemdeling tot zulk een voor-
naam man te spreken? Zie vers 26,
29 — een gezant van God — uit Samarië,
waar hij met blijdschap arbeidde, naar
eene verafgelegen plaats gezonden, op een
woesten, eenzamen weg (vers 26), om
dezen Afrikaanschen reiziger te ontmoeten!
Hoe veel wil God doen om een ziel te
redden!
Kan Filippus hem zeggen, wie de
heilige Lijder in het boek is? vers 25 —
«verkondigde hem/ezus». //ij is de Onbe-
kende in de profetie — Hij de « Man van
smarten», «veracht en de onwaardigste
onder de menschen », Jes. LIII : 3 (Mark.
XIV : 34, XV : 12—20) — ^tj de drager
van « onzer aller ongerechtigheid », vers 6
(1 Petr. II : 24, 25) — Hij de geduldige
Lijder «tot den dood», vers 7—9 (Phil.
II : 6—9; Hebr. XH : 2, 3; 1 Petr. H : 23)
— ja, en Hij ook de Overwinnaar en Midde-
laar, vers 12 (Hebr. II: 9, 10,14, VH : 25).
En wat moet de kamerling doen? —
Eerst « gelooven» — dan toonen, dat hij