Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
416 LXXXVIII. DE PREDIKING VAN HET WOORD AAN DEN KAMERLING.
waarop de doodstraf bij de Joden voltrok-
ken werd; en er is in het bijzonder sprake
van met betrekking tot godslastering, de
misdaad, waarvan Stefanus werd beschul-
digd, zie Lev. XXIV: 10—16. Alle terecht-
stellingen waren «buiten de poort»; zie
Num. XV : 35, 36; 1 Kon. XXI : 13;
Hebr. XHI : 12. Volgens de overlevering
is de oostelijke poort van Jeruzalem die,
door welke de Raad bij deze gelegenheid
het slachtoffer heenleidde, en zij wordt
nog de Stefanuspoort genoemd, maar er
zijn toch eenige redenen om te veronder-
stellen, dat het de noordelijke poort was.
9. Het Sanhedrin had in dien tijd, vol-
gens de meening van vele schrijvers, niet
de macht over leven en dood, zooals zij
ook zelven voor Pilatus moesten erkennen
(Joh. XVHI: 31). Zxe Les LXXV, Aant.5.
Maar het steenigen van Stefanus was geene
wettelijke terechtstelling; het was een
moord, veroorzaakt door eene onstuimige
losbarsting van fanatisme. Het gebeurde
waarschijnlijk (omtrent Mei van het jaar 37
n. C.), toen de Romeinsche stadhouder
afwezig was van Judea.
10. «Ontsliep hij)); hieruit is zoowel
eene « welkome rust» als de « hoop op
ontwaken » af te leiden. Verg. Joh. XI :
11; 1 Cor, XV : 18, 51; 1 Thess. IV :
13, 14. Aan deze uitdrukking ontleenden
de eerste Christenen den naam voor
hunne begraafplaatsen — « slaapplaatsen »
{xoin^r^pi», coimeteria).
11. De tegenwoordige beteekenis van
het woord «martelaar» kwam reeds zeer
vroeg in plaats van de oorspronkelijke
beteekenis, en blijkbaar op apostolisch
gezag, b. v, in Openb. XVII: 6, en Clemens
van Rome in zijn brief aan de Corinthiêrs.
De overgang van de eerste tot de latere
beteekenis kan gemakkelijk verklaard wor-
den. Velen, die slechts door het geloofsoog
gezien hadden, leden vervolging en dood
als proef hunner oprechtheid. Voor zulk
eene standvastigheid had het Grieksch
geen toepasselijke uitdrukking; de Chris-
tenen moesten dus hierin voorzien, en
er was geen woord zoo gepast als « getuige »
{martelaar), daar zij zagen, wat het lot
was geweest van hen, die Christus als Zijne
getuigen had aangesteld (hoofdst. I : 8).
Zij leden bijna allen: vandaar werd getui-
gen eensbeteekenend met lijden; terwijl
het lijden op zichzelf eene soort van ge-
tuigenis was.
12. In dit gedeelte vinden wij voor het
eerst melding gemaakt van Saulus van
Tarsen. Hij was ongetwijfeld lid van de
Cilicische Synagoge (VI : 9) en als zoo-
danig een der voornaamste tegenstanders
van Stefanus. Alle Schriftuitleggers hebben
er op gewezen, hoe Stefanus' groote toe-
spraak wellicht invloed gehad heeft op
zijn gemoed. Ook wordt door enkelen ver-
ondersteld, dat Lukas door middel van
hem op de hoogte werd gesteld van de
gebeurtenis, — en behalve de gelijkheid
van opvatting, waarop hiervóór {Aant.\)
reeds gewezen is, zijn er, wat aangaat de
keuze der woorden, eenige merkwaardige
overeenkomsten in de Brieven te vinden.
Augustinus zegt, dat «de Kerk Paulus
verschuldigd is aan de gebeden van
Stefanus ».
Les LXXXVIII. — De Prediking van het Woord aan den Kamerling.
«Zoo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het woord Gods»,
Te lezen — Hand. VIH : 26—40.
Te leeren — Joh. V : 39; Ps. XIX : 8, 9. (Ps. 98 : 1, 2).
Voor den Onderwijzer.
Dit gedeelte werpt licht op een belangrijk vraagstuk, de onderlinge verhou-
ding en het eigenaardig gebied van den Bijbel en de Kerk. Aan den eenen
kant is het eene terechtwijzing voor hen, die er geen heil in zien, dat ieder-
een voor zich de Schrift leest, zonder de voorlichting der Kerk: want de